Food and the city | Wayne Roberts 2/2

Als we in Nederland bezig zijn met het thema ‘voedsel en de stad’, dan doen we met name twee dingen, namelijk 1) praten over stadslandbouw en 2) pogen om tot een voedselstrategie te komen. Hoe plaatst Wayne Roberts van de Toronto Food Policy Council (FPC, zie eerdere post) deze twee onderwerpen?

Waarde van stadslandbouw

Stadslandbouw gaat naar Roberts’ idee over het vormen van nieuwe relaties. Over het ontwikkelen van sociaal kapitaal. Over het opnieuw bekijken en ontwerpen van steden. Over de transformatie van passieve consumenten in actieve burgers en (co)producenten. En ook gewoon over samen plezier beleven. Let wel, stadslandbouw biedt kansen aan een andere multifunctionaliteit dan de multifunctionele landbouw die we in de rest van ons peri-urbane land zien. Het draait tenslotte om heel verschillende soorten van landbouw, dus beiden logischerwijs met een eigen opgave om de verbinding met mensen aan te gaan.

En voedselstrategieën?

Hoewel Roberts’ betoog draait om de immense invloed van voedsel op ons dagelijks leven en de noodzakelijke doorwerking hiervan in o.a. stedelijk beleid, snijdt hij uit zichzelf het onderwerp voedselstrategie niet aan. Toch droeg de FPC voor een belangrijk deel bij aan het tot stand komen van de voedselstrategie van Toronto. Let wel, dit was pas in 2010 en op verzoek van de gemeente.

Ik lees hierin dat de policy council tijdens een succesvol bestaan van 19 jaar (1991-2010) allerlei beleid naar tevredenheid wist te beïnvloeden, zonder de behoefte te voelen aan een overkoepelende voedselstrategie. Gemeenten die het succes van Toronto willen bereiken, doen er m.i. dan ook goed aan vooral te blijven richten op een stapsgewijze ontwikkeling via praktische initiatieven. En aan alle community animators, al dan niet deel uitmakend van een formele council: “Move where you can move!”

Advertenties

Food is everything | Wayne Roberts 1/2

Verschillende bezoeken aan stadslandbouwprojecten in Rotterdam op woensdag, en een plenaire keynote speech en twee Q&A sessies op donderdag. Het bezoek van Wayne Roberts van de Toronto Food Policy Council aan Nederland voor de Dag van de Stadslandbouw op 8 maart, gaf me een mooie gelegenheid eens wat meer te horen van deze inspirerende man. Voedsel is zijn ding. Maar niet als doel; altijd als middel ‘om anderen te helpen beter te doen wat ze nu al doen’.

De Toronto Food Policy Council

In 1990 was Toronto de eerste stad die het Healthy City charter van de World Health Organization (WHO) ondertekende. Een duidelijk besef was er toen, dat echte grootschalige verbeteringen van de gezondheid niet te verwachten waren vanuit de medische wereld, maar van voedsel. De oprichting van de Toronto Food Policy council in 1991 was dan ook een logische volgende stap. De council activiteiten, zijn het analyseren hoe voedsel zich verhoudt tot het voorkomen of oplossen van stedelijke problematiek, gemeentelijk beleid adviseren, vooral veel mensen en organisaties met elkaar in contact brengen om slimme lokale samenwerkingsverbanden te smeden.

Food is everything

Als 1 op de 5 verkeersbewegingen voedselgerelateerd is, dan loont het zowel milieutechnisch (uitstoot) en economisch (efficiëntie) om je voedselsysteem opnieuw in te richten. Als een derde van het afval voedsel gerelateerd is (verpakkingsmateriaal, groenafval) loont het om naar consumentengedrag en verpakkingsindustrie te kijken. Als iemand met obesitas in zijn leven 1 miljoen euro aan zorgkosten met zich mee brengt, dan heb je een educatieprogramma rondom gezond eten voor kinderen er zo uit. De voorbeelden hoe voedsel onze hele samenleving beïnvloedt, buitelen constant over elkaar heen in Roberts’ verhalen. Veel ervan gebaseerd op onderzoeksgegevens of praktijkervaringen die door of voor Roberts en de Food Policy Council werden verzameld.

Met deze gegevens heb je in feite goud in handen. Dat ook anderen dit zien blijkt uit opgevolgde beleidsadviezen en geïnitieerde projecten in en om Toronto. Zo is voedsel door de gemeente ingezet als hét instrument om problematiek rondom bendes aan te pakken.

“Als er iets moet gebeuren waarvoor geld nodig is, draaf ik op om te laten zien hoe men zijn investering binnen de kortste keren terugverdient in directe of indirecte besparing. Dat is vaak alles wat nodig is om geld los te maken en relevante projecten te kunnen starten”, aldus Wayne Roberts. Met een eigen budget van slechts $ 5000 per jaar plus salariskosten van Roberts zelf, bereikt de council omvangrijke resultaten. “Zet me dus niet weg in het rijtje van kosten, maar in het lijstje van opbrengsten.”

Zie ook Wayne Roberts 2/2 over stadslandbouw en voedselstrategieën >>

Voedsel in de Stad – Excursie

Vorige week woensdag (4 nov 2009) organiseerde het Kenniscentrum Recreatie voor het LNV programma Groen en de Stad een excursie. Thema: Voedsel in de Stad.

Almere heeft principes

In Almere startte de dag in het Stadsbouwhuis waar door (?) interessante plannen werden gepresenteerd om de stad richting 2030 flink uit te breiden (schaalsprong – kwantiteit) en tegelijk te voldoen aan een aantal zelf opgelegde principes – en geïnspireerd op de Hannover Principles (William McDonough) – om ook de kwaliteit op een goed pijl te houden. Stadslandbouw neemt daarin een belangrijke plaats in. De stad wil graag voor 20% kunnen voorzien in de eigen voedselbehoefte. Belangrijke voorwaarde voor slagen van deze plannen is of na de gemeenteraadsverkiezingen van 2010 de Almere Principles al dan niet serieus genomen worden door de nieuwe bestuurders van de stad.

Voor de uitbreiding van de stad is gekozen voor een “organisch ontwerp”. De oorspronkelijke loop van de Eem werd hierbij aangehouden, zo krijgen we te horen. Ik durfde niet te vragen hoe het nou kan dat de Eem liep waar nu Flevoland is, en waar toch vroeger gewoon de Zuiderzee lag.

Grappig te horen trouwens, dat Almere ooit is ontworpen met het oog op duurzaamheid. Het was voor mij een eerste bezoek aan deze stad, maar de reputatie “lelijkste stad van Nederland” had ik wel meegekregen. Dat rijmt toch weinig met mijn (meestal groen gekleurde) idee van duurzaamheid. Maar als ik kijk hoe Cradle-to-Cradle principes nu klaar liggen om langzaam in stadsbeleid te worden geïntegreerd, is dat zowel bewonderenswaardig als hoopgevend.

De Stadsboerderij Almere

Na het Stadsbouwhuis toerden wij naar De Stadsboerderij, waar we ontvangen werden door Tineke van den Berg. Uit de Stadslandbouwgids van Wageningen UR (al eens genoemd op mijn andere weblog) had ik begrepen dat de stadsboerderij al een aantal jaren geleden was opgericht na een concrete vraag van burgers voor een dergelijke boerderij. Tineke vertelde echter ook dat zij nog niet zo lang geleden in de krant las over de stadslandbouw plannen van de gemeente, en vervolgens contact heeft gezocht om Stadsboerderij Almere één van de actoren in dat plan te laten zijn. Mij doet dat vermoeden dat er door de gemeente toch weinig is gekeken naar en gepraat met de bestaande actoren, voordat er zo’n visie over het gebied werd uitgerold. Hoe dan ook, wel fijn dat stad en boer elkaar nu hebben gevonden.

Proeftuin Amsterdam

Restaurant De Kas in Amsterdam vormde de volgende stop van de excursie. Even pauze voor een overheerlijke – hoewel ietsje te lichte – lunch met groenten en kruiden uit de eigen kas. Na de lunch het woord aan Geert Timmermans van de gemeente Amsterdam om een toelichting te geven op het project Proeftuin Amsterdam. Proeftuin Amsterdam is een samenwerkingsverband tussen meerdere lokale overheidsspelers, met als doel initiatieven te ontwikkelen en/of ondersteunen rondom duurzame, lokale voedselketens. Ook vanuit elders in het land lijkt er steeds veel interesse te zijn in dit project. Tot nu toe werden er – voor zover ik begreep – geen partners uit bijvoorbeeld de private sector betrokken, om te kijken of de rol van zo’n proeftuin na het lopende traject kan worden voortgezet. Het lijkt mij dat zoiets de relevantie van het ingezette traject op de lange duur zou kunnen vergroten. En met de huidige interesse van private partijen om “iets te doen” met lokale, smakelijke voeding ook niet uit de lucht gegrepen.

Zorglandbouw project Klarenbeek

Wim Schoonhoven van zorginstelling Cordaan verwelkomde ons op aankomend stadslandgoed Klarenbeek, ten zuiden van Amsterdam. Als locatie op de aanvliegroute naar Schiphol komt er hier elke drie-en-een-halve minuut een vliegtuig over, wat praten vrijwel onmogelijk maakte. (Dan heeft de Noord-Veluwe niets te klagen, zelf niet als Lelystad Airport straks meer over onze huizen heen gaat vervoeren.) In mini gesprekjes konden wij toch heel wat horen van de immense klus die Cordaan zich op de hals haalde met het opknappen en in gebruik nemen van deze vervallen maar toch monumentale boerderij en omliggende veengrond. Het is te hopen dat de instelling de opgedane expertise ook op andere locaties kan gebruiken. Eén andere zorglandbouw locatie is al in de maak.

Goede vraag van Groen en de Stad stagiaire of de producten uit de moestuin ook binnen de eigen instelling gebruikt gaan worden. Zou theoretisch wel kunnen, als er op de boerderij faciliteiten waren om de groenten te wassen en snijden en in de juiste hoeveelheden en hygiënisch vervoerd naar de keukens van Cordaan vervoerd zou kunnen worden. Vooralsnog lijkt dat een schier onmogelijke klus. En zo blijkt een opmerking van Jan Willem van der Schans tijdens Foodprint maar weer al te waar; dat alles lokaal in eigen hand houden zelden een rendabele en echt duurzame manier van werken is. Lokale samenwerking, daarin liggen de mogelijkheden.

Boerderij educatie op Polderzicht

De al donker wordende dag werd afgesloten met een gesprek op melkveehouderij en bezoekboerderij Polderzicht bij Ouderkerk aan de Amstel. Negentig melkkoeien grazen alle dagen buiten op het veen. Machinale landbouw is geen optie op het veen dat weinig gewicht kan dragen. Naast melkkoeien lopen er ook geregeld kinderen over het bedrijf in het kader van boerderijeducatie. Iets dat je volgens ondernemers Annemiek en Gerard Korrel alleen doet wanneer je het leuk vindt. Het brengt – en dat gaf ook Tineke van den Berg ’s ochtends al aan – weinig tot geen geld op en kort vooral tijd en aanpassingsvermogen van de boer en zijn/haar bedrijf. Ook vormt de ligging van hun bedrijf op veenweide gebied met zich mee dat er geen gevaar is van de grond gejaagd te worden door de uitbreidende stad. Men wil dit gebied behouden en daarvoor is de boer nodig.

Voor mij was verrassend te horen dat de familie Korrel goed rond kan komen met de buitengrazers, zonder extra inkomsten uit nevenactiviteiten. Ik krijg vaak dat indruk dat alleen EKO boeren of zeer grootschalige, intensieve veehouders hun inkomsten puur uit de voedselproductie haalden. Wanneer de familie wel extra inkomsten nodig zou hebben gehad, zou een baan in de nabij gelegen stad meer voor de hand hebben gelegen. Dit is misschien ook een reden waarom er in de omgeving nauwelijks vergelijkbare activiteiten worden aangeboden op de boerderijen.

Interessante situatie: de vraag naar boerderijactiviteiten (educatie, toerisme, …) is rondom de stad juist groot en groeiende, maar voor de boeren die daar hun bedrijf hebben levert een baan in de stad meer op. Betekent dat dat stadsboeren die wél aan die vraag willen voldoen misschien per definitie een categorie boeren is dat daar ook het hart heeft liggen: in de wisselwerking tussen stad en land, consument en producent.

>> Foto’s van de excursie op Flickr