Food and the city | Wayne Roberts 2/2

Als we in Nederland bezig zijn met het thema ‘voedsel en de stad’, dan doen we met name twee dingen, namelijk 1) praten over stadslandbouw en 2) pogen om tot een voedselstrategie te komen. Hoe plaatst Wayne Roberts van de Toronto Food Policy Council (FPC, zie eerdere post) deze twee onderwerpen?

Waarde van stadslandbouw

Stadslandbouw gaat naar Roberts’ idee over het vormen van nieuwe relaties. Over het ontwikkelen van sociaal kapitaal. Over het opnieuw bekijken en ontwerpen van steden. Over de transformatie van passieve consumenten in actieve burgers en (co)producenten. En ook gewoon over samen plezier beleven. Let wel, stadslandbouw biedt kansen aan een andere multifunctionaliteit dan de multifunctionele landbouw die we in de rest van ons peri-urbane land zien. Het draait tenslotte om heel verschillende soorten van landbouw, dus beiden logischerwijs met een eigen opgave om de verbinding met mensen aan te gaan.

En voedselstrategieën?

Hoewel Roberts’ betoog draait om de immense invloed van voedsel op ons dagelijks leven en de noodzakelijke doorwerking hiervan in o.a. stedelijk beleid, snijdt hij uit zichzelf het onderwerp voedselstrategie niet aan. Toch droeg de FPC voor een belangrijk deel bij aan het tot stand komen van de voedselstrategie van Toronto. Let wel, dit was pas in 2010 en op verzoek van de gemeente.

Ik lees hierin dat de policy council tijdens een succesvol bestaan van 19 jaar (1991-2010) allerlei beleid naar tevredenheid wist te beïnvloeden, zonder de behoefte te voelen aan een overkoepelende voedselstrategie. Gemeenten die het succes van Toronto willen bereiken, doen er m.i. dan ook goed aan vooral te blijven richten op een stapsgewijze ontwikkeling via praktische initiatieven. En aan alle community animators, al dan niet deel uitmakend van een formele council: “Move where you can move!”

Advertenties

Food is everything | Wayne Roberts 1/2

Verschillende bezoeken aan stadslandbouwprojecten in Rotterdam op woensdag, en een plenaire keynote speech en twee Q&A sessies op donderdag. Het bezoek van Wayne Roberts van de Toronto Food Policy Council aan Nederland voor de Dag van de Stadslandbouw op 8 maart, gaf me een mooie gelegenheid eens wat meer te horen van deze inspirerende man. Voedsel is zijn ding. Maar niet als doel; altijd als middel ‘om anderen te helpen beter te doen wat ze nu al doen’.

De Toronto Food Policy Council

In 1990 was Toronto de eerste stad die het Healthy City charter van de World Health Organization (WHO) ondertekende. Een duidelijk besef was er toen, dat echte grootschalige verbeteringen van de gezondheid niet te verwachten waren vanuit de medische wereld, maar van voedsel. De oprichting van de Toronto Food Policy council in 1991 was dan ook een logische volgende stap. De council activiteiten, zijn het analyseren hoe voedsel zich verhoudt tot het voorkomen of oplossen van stedelijke problematiek, gemeentelijk beleid adviseren, vooral veel mensen en organisaties met elkaar in contact brengen om slimme lokale samenwerkingsverbanden te smeden.

Food is everything

Als 1 op de 5 verkeersbewegingen voedselgerelateerd is, dan loont het zowel milieutechnisch (uitstoot) en economisch (efficiëntie) om je voedselsysteem opnieuw in te richten. Als een derde van het afval voedsel gerelateerd is (verpakkingsmateriaal, groenafval) loont het om naar consumentengedrag en verpakkingsindustrie te kijken. Als iemand met obesitas in zijn leven 1 miljoen euro aan zorgkosten met zich mee brengt, dan heb je een educatieprogramma rondom gezond eten voor kinderen er zo uit. De voorbeelden hoe voedsel onze hele samenleving beïnvloedt, buitelen constant over elkaar heen in Roberts’ verhalen. Veel ervan gebaseerd op onderzoeksgegevens of praktijkervaringen die door of voor Roberts en de Food Policy Council werden verzameld.

Met deze gegevens heb je in feite goud in handen. Dat ook anderen dit zien blijkt uit opgevolgde beleidsadviezen en geïnitieerde projecten in en om Toronto. Zo is voedsel door de gemeente ingezet als hét instrument om problematiek rondom bendes aan te pakken.

“Als er iets moet gebeuren waarvoor geld nodig is, draaf ik op om te laten zien hoe men zijn investering binnen de kortste keren terugverdient in directe of indirecte besparing. Dat is vaak alles wat nodig is om geld los te maken en relevante projecten te kunnen starten”, aldus Wayne Roberts. Met een eigen budget van slechts $ 5000 per jaar plus salariskosten van Roberts zelf, bereikt de council omvangrijke resultaten. “Zet me dus niet weg in het rijtje van kosten, maar in het lijstje van opbrengsten.”

Zie ook Wayne Roberts 2/2 over stadslandbouw en voedselstrategieën >>

De tijd van eenzijdige voedselproductie voorbij

Dick Veerman kaartte het al aan in zijn interview met haar op Foodlog: Carolyn Steel wordt in Nederland gezien als de ‘stadstuinbouwtruus’ of ‘die mevrouw van de lokale voedselstrategieën’. Maar haar betoog is breder dan een promo voor regionaal voedsel. Tijdens de opening van de debatreeks It’s Food Stupid in de Rode Hoed wilde ze dan ook met ons spreken over ‘voedsel als basis voor resocialisatie’, en een ‘nieuw maatschappelijk contract’, aldus het interview.

Helaas slaagde zij in haar 40min lezing niet echt in die opzet. De immer charmante en breedsprakige Steel herhaalde in feite wat zij al vertelde tijdens bijvoorbeeld het Amersfoortse architectuurcafé (2011) en het Haagse Foodprint Symposium (2009). Slechts in de laatste slides verwijst ze naar de broodnodige food democracy, note bene weer geïllustreerd met voorbeelden van rooftop gardening, community supported agriculture en een stedelijke voedselcoöperatie.

Pas wanneer iemand uit het publiek haar de vraag stelt of en hoe zij in ons toekomstig voedselsysteem ruimte ziet voor iets als monocultuur, vervaagt het beeld van de local food lady en stapt the real Steel naar voren. Over technische landbouwkennis beschikt ze onvoldoende om uitspraken te willen doen over monocultuur an sich. Echter, de door haar geschetste democratisering van ons voedselstelsel betreft een situatie waarin we samen beslissen of, waar, wanneer en hoe monocultuur mag plaatsvinden. ‘De tijd van voedselproductie als eenrichtingsverkeer is voorbij.

Wat mij betreft had dit het startpunt van haar lezing mogen zijn en de kapstok voor de avond. Aan de ‘Rotterdamse stadsboeren’ van Uit Je Eigen Stad vervolgens de uitdaging te illustreren hoe zij met hun initiatief een bijdrage willen leveren aan die democratisering. De democratisering van het hele voedselsysteem heb ik het dan over. Want al wordt hun onderneming feitelijk ‘het eerste rendabele stadslandbouwbedrijf van Europa’, hun inkomen halen ze niet geheel uit de productie van voedsel, maar ook uit de verkoop van ontmoeting, beleving en educatie. Het voedselverhaal dat zij en andere stadsboeren zullen vertellen, gaat over relatief kleinschalige, sociale en duurzame voedselproductie. Het gros van ons voedsel wordt op een heel andere manier geproduceerd, namelijk op hyper efficiënte bedrijven zoals dat van NAJK voorzitter Wilco de Jong, die ‘met de melkveehouders in de straat meer melk produceert dan heel Heerenveen kan wegdrinken’. Hoe kunnen we onszelf nou een mening vormen over dát type bedrijven? En hoe beïnvloeden wij dit grotere geheel vervolgens? Waar bestaat de voedseldemocratie als systeem nog meer uit dan praten, twitteren, bloggen en uiteindelijk onze keuzes als consument?

Kortom, Steels ‘resocialisatie’ denk ik te snappen. De concrete werkwijze van haar food democracy nog niet, en evenmin het ‘maatschappelijk contract’. Maar Carolyn Steel en Dick Veerman kunnen het aardig met elkaar vinden, begrijp ik, dus op de een of andere manier zullen we er vast nog meer van horen.

Voedsel in de Stad – Excursie

Vorige week woensdag (4 nov 2009) organiseerde het Kenniscentrum Recreatie voor het LNV programma Groen en de Stad een excursie. Thema: Voedsel in de Stad.

Almere heeft principes

In Almere startte de dag in het Stadsbouwhuis waar door (?) interessante plannen werden gepresenteerd om de stad richting 2030 flink uit te breiden (schaalsprong – kwantiteit) en tegelijk te voldoen aan een aantal zelf opgelegde principes – en geïnspireerd op de Hannover Principles (William McDonough) – om ook de kwaliteit op een goed pijl te houden. Stadslandbouw neemt daarin een belangrijke plaats in. De stad wil graag voor 20% kunnen voorzien in de eigen voedselbehoefte. Belangrijke voorwaarde voor slagen van deze plannen is of na de gemeenteraadsverkiezingen van 2010 de Almere Principles al dan niet serieus genomen worden door de nieuwe bestuurders van de stad.

Voor de uitbreiding van de stad is gekozen voor een “organisch ontwerp”. De oorspronkelijke loop van de Eem werd hierbij aangehouden, zo krijgen we te horen. Ik durfde niet te vragen hoe het nou kan dat de Eem liep waar nu Flevoland is, en waar toch vroeger gewoon de Zuiderzee lag.

Grappig te horen trouwens, dat Almere ooit is ontworpen met het oog op duurzaamheid. Het was voor mij een eerste bezoek aan deze stad, maar de reputatie “lelijkste stad van Nederland” had ik wel meegekregen. Dat rijmt toch weinig met mijn (meestal groen gekleurde) idee van duurzaamheid. Maar als ik kijk hoe Cradle-to-Cradle principes nu klaar liggen om langzaam in stadsbeleid te worden geïntegreerd, is dat zowel bewonderenswaardig als hoopgevend.

De Stadsboerderij Almere

Na het Stadsbouwhuis toerden wij naar De Stadsboerderij, waar we ontvangen werden door Tineke van den Berg. Uit de Stadslandbouwgids van Wageningen UR (al eens genoemd op mijn andere weblog) had ik begrepen dat de stadsboerderij al een aantal jaren geleden was opgericht na een concrete vraag van burgers voor een dergelijke boerderij. Tineke vertelde echter ook dat zij nog niet zo lang geleden in de krant las over de stadslandbouw plannen van de gemeente, en vervolgens contact heeft gezocht om Stadsboerderij Almere één van de actoren in dat plan te laten zijn. Mij doet dat vermoeden dat er door de gemeente toch weinig is gekeken naar en gepraat met de bestaande actoren, voordat er zo’n visie over het gebied werd uitgerold. Hoe dan ook, wel fijn dat stad en boer elkaar nu hebben gevonden.

Proeftuin Amsterdam

Restaurant De Kas in Amsterdam vormde de volgende stop van de excursie. Even pauze voor een overheerlijke – hoewel ietsje te lichte – lunch met groenten en kruiden uit de eigen kas. Na de lunch het woord aan Geert Timmermans van de gemeente Amsterdam om een toelichting te geven op het project Proeftuin Amsterdam. Proeftuin Amsterdam is een samenwerkingsverband tussen meerdere lokale overheidsspelers, met als doel initiatieven te ontwikkelen en/of ondersteunen rondom duurzame, lokale voedselketens. Ook vanuit elders in het land lijkt er steeds veel interesse te zijn in dit project. Tot nu toe werden er – voor zover ik begreep – geen partners uit bijvoorbeeld de private sector betrokken, om te kijken of de rol van zo’n proeftuin na het lopende traject kan worden voortgezet. Het lijkt mij dat zoiets de relevantie van het ingezette traject op de lange duur zou kunnen vergroten. En met de huidige interesse van private partijen om “iets te doen” met lokale, smakelijke voeding ook niet uit de lucht gegrepen.

Zorglandbouw project Klarenbeek

Wim Schoonhoven van zorginstelling Cordaan verwelkomde ons op aankomend stadslandgoed Klarenbeek, ten zuiden van Amsterdam. Als locatie op de aanvliegroute naar Schiphol komt er hier elke drie-en-een-halve minuut een vliegtuig over, wat praten vrijwel onmogelijk maakte. (Dan heeft de Noord-Veluwe niets te klagen, zelf niet als Lelystad Airport straks meer over onze huizen heen gaat vervoeren.) In mini gesprekjes konden wij toch heel wat horen van de immense klus die Cordaan zich op de hals haalde met het opknappen en in gebruik nemen van deze vervallen maar toch monumentale boerderij en omliggende veengrond. Het is te hopen dat de instelling de opgedane expertise ook op andere locaties kan gebruiken. Eén andere zorglandbouw locatie is al in de maak.

Goede vraag van Groen en de Stad stagiaire of de producten uit de moestuin ook binnen de eigen instelling gebruikt gaan worden. Zou theoretisch wel kunnen, als er op de boerderij faciliteiten waren om de groenten te wassen en snijden en in de juiste hoeveelheden en hygiënisch vervoerd naar de keukens van Cordaan vervoerd zou kunnen worden. Vooralsnog lijkt dat een schier onmogelijke klus. En zo blijkt een opmerking van Jan Willem van der Schans tijdens Foodprint maar weer al te waar; dat alles lokaal in eigen hand houden zelden een rendabele en echt duurzame manier van werken is. Lokale samenwerking, daarin liggen de mogelijkheden.

Boerderij educatie op Polderzicht

De al donker wordende dag werd afgesloten met een gesprek op melkveehouderij en bezoekboerderij Polderzicht bij Ouderkerk aan de Amstel. Negentig melkkoeien grazen alle dagen buiten op het veen. Machinale landbouw is geen optie op het veen dat weinig gewicht kan dragen. Naast melkkoeien lopen er ook geregeld kinderen over het bedrijf in het kader van boerderijeducatie. Iets dat je volgens ondernemers Annemiek en Gerard Korrel alleen doet wanneer je het leuk vindt. Het brengt – en dat gaf ook Tineke van den Berg ’s ochtends al aan – weinig tot geen geld op en kort vooral tijd en aanpassingsvermogen van de boer en zijn/haar bedrijf. Ook vormt de ligging van hun bedrijf op veenweide gebied met zich mee dat er geen gevaar is van de grond gejaagd te worden door de uitbreidende stad. Men wil dit gebied behouden en daarvoor is de boer nodig.

Voor mij was verrassend te horen dat de familie Korrel goed rond kan komen met de buitengrazers, zonder extra inkomsten uit nevenactiviteiten. Ik krijg vaak dat indruk dat alleen EKO boeren of zeer grootschalige, intensieve veehouders hun inkomsten puur uit de voedselproductie haalden. Wanneer de familie wel extra inkomsten nodig zou hebben gehad, zou een baan in de nabij gelegen stad meer voor de hand hebben gelegen. Dit is misschien ook een reden waarom er in de omgeving nauwelijks vergelijkbare activiteiten worden aangeboden op de boerderijen.

Interessante situatie: de vraag naar boerderijactiviteiten (educatie, toerisme, …) is rondom de stad juist groot en groeiende, maar voor de boeren die daar hun bedrijf hebben levert een baan in de stad meer op. Betekent dat dat stadsboeren die wél aan die vraag willen voldoen misschien per definitie een categorie boeren is dat daar ook het hart heeft liggen: in de wisselwerking tussen stad en land, consument en producent.

>> Foto’s van de excursie op Flickr

Volkstuinders over de Hongerwinter

Vandaag start de Week van de Geschiedenis met dit jaar als thema Oorlog en Vrede. In Utrecht is er o.a. een activiteitendag georganiseerd in het Volksbuurtmuseum Wijk C aan de Waterstraat 27. Onderwerp van de dag is de Hongerwinter 1944/1945.

hongerwinter

Kunnen u of uw kinderen zich voorstellen hoe het moet zijn geweest om te leven tijdens de Hongerwinter 1944/1945? In het kader van de Week van de geschiedenis, die dit jaar het thema ‘Oorlog en Vrede’ draagt, vindt er in het Volksbuurtmuseum Wijk C een bijzonder evenement plaats. Op 17 oktober kunt u ervaren hoe het leven er tijdens de Hongerwinter in Nederland uit moet hebben gezien.

Geheel in de geest van het Volksbuurtmuseum worden er laagdrempelige activiteiten georganiseerd waarbij de inwoners van Wijk C zijn betrokken. Direct bij binnenkomst zal u ervaren dat de ruilhandel belangrijk was om aan voedsel te komen. U moet uw lievelingseten even vergeten, want u ontvangt ‘waardevolle’ spullen waarmee hopelijk voedsel gekocht kan worden. Aan de hand van illustraties over de hongerwinter en door het maken van opdrachten volgt u een route in het museum.
U kunt zelf ervaren hoe het is om een kinderwagen te trekken, gevuld met wat aardappelen, knollen en bieten. U kunt aanschuiven aan tafel om te luisteren naar verhalen van enkele inwoners van Utrecht die in de oorlog een volkstuin hadden. Er wordt op een petroleumstel ‘oorlogsvoedsel’ klaar gemaakt waarvan u mag proeven. Ook kunt u kennismaken met de moestuinverenigingen die er nu nog zijn in Utrecht. Wat kan er verbouwd worden in een moestuin en wat is er nog meer mogelijk met een moestuin? Ook kunt u te weten komen hoe u aan een moestuin kunt komen.

Oral history project

De activiteitendag is een initiatief van Gerhard van de Berg, Tico Koopmans en Iris van Meer. Met deze dag hopen de drie initiatiefnemers o.a. positieve aandacht te krijgen voor een mondeling geschiedenis (oral history) project waar zij al langere tijd aan werken. In dat project staan verhalen centraal van mensen die een volkstuin hielden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Doormiddel van interviews wil het team onderzoeken in hoeverre deze volkstuinen hebben bijgedragen aan het verbeteren van de toenmalige voedselsituatie.

Verhaal in beeld

Van de Berg, Koopmans en Van Meer willen met hun project een start maken om verhalen rondom volkstuinen tijdens de Tweede Wereldoorlog op te sporen en vast te leggen. Zij willen deze data gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek en mogelijk voor een documentaire. Volkstuinvereniging De Pioniers, die komend jaar 75 jaar bestaat, is van plan de verhalen te gebruiken voor een essay.

Enkele getuigen zijn al opgespoord. Deze ouderen hadden tijdens de oorlog een moestuin en willen hierover vertellen. Twee van hen zijn aanwezig tijdens de activiteitendag in het Volksbuurtmuseum. Zij zullen vragen beantwoorden van bezoekers, om zo een beter beeld te geven van die periode. De initiatiefnemers van het oral history project hopen dat n.a.v. de activiteitendag ook andere getuigen zich melden.

Er is nog maar weinig informatie over het onderwerp te vinden, en steeds minder mensen die er iets over zouden kunnen vertellen. Met dit project willen we verhalen vastleggen voordat dit niet meer kan.

Onduidelijkheden

Afgelopen week sprak ik met Gerhard van de Berg (eerder coördinator van het project Levende Herinneringen) over het moestuinenproject. Van de Berg geeft aan dat er nog veel vragen zijn die met dit project hopelijk opgehelderd kunnen worden.

Was er wel genoeg zaai- en pootgoed? Werd de groente niet gestolen zodra het rijp was? In Utrecht is er een NSB commissie ingesteld bij een aantal moestuincomplexen. Wilde je daar dan nog wel komen? Had je tijd om de moestuin te onderhouden? Was het niet meer een last dan een zegen?

Volkstuinen vandaag

Zijn stadsmensen vandaag de dag eigenlijk nog wel geïnteresseerd in het onderhouden van een volkstuin?

Interessant is dat er de afgelopen maanden tegenstrijdige berichten in kranten staan. Er wordt geschreven dat er meer moestuinen bijkomen en aan de andere kant wordt er geschreven dat er een afname is van moestuinen.

In elk geval, ook vandaag de dag kan de volkstuin van waarde zijn voor (mensen in) de stad, vindt Van de Berg.

Het kan kinderen leren waar groente en fruit vandaan komt. Wat seizoensgebonden groente is. Oogst uit de tuin is vaak een stuk lekkerder, en kan hierdoor een stimulans zijn om kinderen verse, zelfverbouwde groente te laten eten. Je leert als volkstuinder om te plannen, onderhouden en geduld te hebben.

De volkstuin heeft verder ook een sociale functie. Iedereen kan er bij betrokken worden. Het kan een extra sociale afdeling zijn van bejaardentehuizen/aanleunwoningen en ‘prachtwijken’ om gezamenlijk iets op te bouwen.

Volkstuinen kunnen er ook voor zorgen dat steden hun groene hart behouden. Misschien wel een vervanging voor de parken of een nieuwe functie voor braakliggende gronden in steden, waarbij de functie van park en moestuin gecombineerd kunnen worden.

Prijs

Het oral history project – dat uitgevoerd moet worden met lokale fondsen – is opgezet in samenwerking met Landschap Erfgoed Utrecht. Om het project meer bekendheid te geven, is ook het Volksbuurtmuseum Wijk C erbij betrokken en werd de eerder genoemde activiteitendag georganiseerd, als onderdeel van de Week van de Geschiedenis.

Aan de Week van de Geschiedenis is ook een prijs verbonden die bestaat uit een cheque van 5.000 euro. Uit ruim 700 inzendingen is een selectie van 10 activiteiten gemaakt, waarbij ook de activiteitendag in het Volksbuurtmuseum is genomineerd. Vanaf 17 oktober is op de website van Week van de Geschiedenis een filmpje te vinden waarop bezoekers kunnen stemmen. Van de Berg hoopt dat veel mensen stemmen op hun activiteit. Winnen ze de prijs, dan is het eerste bedrag binnengesleept om aan het oral history project te kunnen beginnen.

Ouderen in de moestuin aan de Costa del Sol

Sarah Spaulding Castle and Maud Cooper in GardenEen knipseltje uit de krant Costa del Sol Actueel (meegebracht door schoonvaders vanuit het zonnige zuiden), vertelt dat in de zuidelijke gemeente Antequera een ouderencentrum gaat starten met ecologische moestuinen. Het project is een initiatief van de gemeente. Volgens de regerende partijen hebben nog veel ouderen de droom hun eigen gewassen te verbouwen. Zelf wil de gemeente graag ecologisch tuinieren en de beschikbaarheid van ecologisch voedsel bevorderen. Met dit project slaat zij dus twee vliegen in één klap.

De gemeente stelt percelen landbouwgrond beschikbaar en andere nodige middelen om ecologisch tuinieren mogelijk te maken. De opbrengst is in eerste instantie voor eigen gebruik in het ouderencentrum zelf, maar wordt later mogelijk ook op een markt verkocht. Er is momenteel al een ecologische markt op zaterdagen, genaamd Ecoantequera.

De krant meldt nog meer: “Daarnaast heeft de gemeenteraad besloten om een subsidie beschikbaar te stellen voor de bouw van een kassencomplex waar mensen die moeilijk meekomen in de samenleving zullen gaan werken.”

(Ben benieuwd of met de toename van dit soort projecten ook het aandeel Spaanstalige mensen in de Farming for Health CoP zal gaan groeien. Al lange tijd blijft dat aantal hangen op 1 of 2 leden. Mogelijk de taalbarrière.)

Tuinieren op een postzegel

Afgelopen vrijdag vond in Den Haag het door Stroom georganiseerde Foodprint Symposium plaats. Een goed gevuld programma met interessante sprekers rondom stadslandbouw en andere voedsel-in-de-stad onderwerpen. Als decor de aan het eind van de dag officieel geopende Foodprint tentoonstelling.

Vele pagina’s aantekeningen gemaakt, dus genoeg voor enkele blog posts hier en op het Engelse blog. Ik zal kijken hoe ver ik kom. Eerst Paula Sobie en haar SPIN-Farming training.

SPIN-Farming staat voor Small Plot Intensive Farming, letterlijk: intensief boeren op een klein stukje grond. De Canadese Paula Sobie begon enkele jaren geleden als SPIN farmer. Tijdens het Foodprint Symposium verhaalde ze van haar eigen ervaringen, inclusief enkele missers, en gaf ze praktische tips.

Stadslandbouw

Sobie past SPIN-farming toe in de stad waar ze woont. Een aantal voordelen van (kleinschalige) landbouw in de stad:

  • Er is rechtstreeks schoon water beschikbaar (vaak gratis grondwater via de buiten tap), en op een klein stuk grond ook te gebruiken zonder ingewikkelde irrigatie installaties;
  • Je hebt nauwelijks of geen last van wild als herten of konijnen die van je oogst meegenieten;
  • Je zit dichtbij je afnemers, dus kunt hen zeer verse producten leveren;
  • Het microklimaat in de stad is iets warmer, zodat je eerder kunt oogsten;
  • Door al deze voordelen maak je minder kosten, wat betekent dat je high value crops tegen een goedkopere kostprijs kunt produceren of (als je wilt) met meer winst verkopen op de lokale markt.

Planning

Voor haar SPIN-farm maakt Sobie gebruik van andermans tuinen, een veel gebruikte manier van werken onder SPIN-farmers.  De eigenaren stellen de tuin gratis ter beschikking, Sobie ontgint de boel en begin haar mini stadsboerderij. Sommige SPIN-farmer huren grond, maar Sobie werkt het liefst met mensen die de achterliggende gedachte delen en bijvoorbeeld een deel van de tuin die ze toch niet gebruiken ter beschikking te stellen aan een ander. (Bas de Groot liet trouwens weten dat in Nederland gewoon via Marktplaats tuinen worden aangeboden waar je van gebruik zou kunnen maken. Ook handig te weten! )

Zolang je gebruik maakt van private tuinen heb je waarschijnlijk weinig last van verontreinigde grond. Zou je uitwijken naar meer industrie gerelateerde stukken grond in de stad, dan heb je veel werk aan het zuiveren van de grond.

Sobie adviseert te werken op stukken grond van minimaal 300 m2 (1000 square feet). Heb je meerdere kleine stukken grond tot je beschikking, dan is transport tussen de locaties (je eigen reistijd, het verplaatsen van eventueel gereedschap) relatief inefficienter.

Paula Sobie explaining ideal size of plant bedsEen plantbed heeft een ideale groote van 2 voet breed (60 cm) bij 25 voet lang (7,5 m). Tussen de bedden ongeveer 1 voet looppad. De breedte van de bedden zelf maakt het bewerken en oogsten makkelijker omdat je over je bed heen kunt lopen (zie Sobie’s demonstratie).

Als SPIN-farmer reken je met terugwerkende kracht uit hoe/wat je wilt planten. Je weet hoeveel land je ter beschikking hebt, hoeveel plantenbedden hier in gaan en hoeveel je eraan zou willen verdienen. Als je het aantal weken per jaar inschat dat je kan oogsten en verkopen kun je vervolgens uitrekenen welke soorten gewassen je wilt telen. Sommige gewassen kun je voor meer geld verkopen dan anderen, anderen zijn weer sneller te oogsten waarna het plantbed vrij komt voor nieuwe teelt, etcetera. Uiteraard houd je in je aanbod rekening met de lokale vraag.

Cropping & Planting

Wat Sobie betreft is het denkwerk rondom het telen (zoals de rotatie van gewassen) ware hersengymnastiek. Ze maakt van haar stuk grond een schematische spreadsheet waarop ze in verschillende gekleurde vlakken aangeeft welke gewassen in welk bed groeien en hoe ze zou moeten roteren om de grond niet uit te putten. De spreadsheet mag je van haar overnemen. Email: tofubella (apenstaartje) shaw (punt) ca

En er zijn meer tips. “Vergeet IJsheiligen!” bijvoorbeeld. Er zijn genoeg planten die tegen een stootje kunnen. Hoe vroeger je begint met zaaien / planten, hoe eerder je oogst hebt en dus meer weken per jaar omzet kunt maken. SPIN-farming is het optimaal benutten van het kleine beetje grond dat je hebt, ook in dit soort zaken.

Tools & Weeding

Paula Sobie explaining the "seeder"Als SPIN-farmer moet je snel en efficiënt te werk gaan. Bepaalde praktijken die je als hobby moestuinhouder zou kunnen aanhouden lonen niet. Gereedschappen kunnen waardevolle hulpmiddelen zijn om efficiënt te werken. Maak vooral gebruik van gereedschappen die makkelijk hanteerbaar en liefst ook zelf te repareren zijn. (En die weinig ruimte innemen. Alle ruimte gaat ten kostte van de grond die je kunt gebruiken voor de planten.)

Verschillende gereedschappen passeren de revue tijdens Sobie’s presentatie. Een aantal standaard tuingereedschappen die hier overal verkrijgbaar zijn, maar ook zaken die je hier iets moeilijker kunt vinden, zoals de hand/duw zaaier. (Ze zijn er wel, zie bijv hier.) Als ik het goed heb begrepen maak je gebruik van een patroon voor de zaadjes (zelf te vullen, ga ik vanuit), verstel je eventueel de opening afhankelijk van de grootte van de zaadjes (?) en je wandelt snel en in een rechte lijn over je plantbed. Geen lijntjes trekken. Gewoon lopen. Sobie demonstreert:

Paula Sobie explaining the "seeder"

Paula Sobie explaining the "seeder"

Paula Sobie explaining the "seeder"

Een ander handig machientje (niet op de foto) maakt het mogelijk om kleine blokjes compost te fabriceren (soil blocks) met een kuiltje voor zaad. Daarmee zorg je voor gezonde voedingsbodem voor je plantje, maar ga je toch zo geconcentreerd (en dus efficiënt) mogelijk met de compost om.  

Marketing

Het is leuk om te tuinieren, moestuinhouders kunnen erover mee praten, maar als je geen markt bereikt blijft het een hobby, en geen bron van inkomsten. Omdat je te maken hebt met kleine hoeveelheden oogst moet je slim te werk gaan in je verkooptechnieken. Sobie noemt enkele mogelijke verkoopkanalen:

  • Zeker wanneer je net begint en je niet precies weet hoeveel je gaat produceren en wanneer je oogst klaar is, kun je proberen je waar te slijten aan de groothandel. Dit betekent ook de minste investering in de verwerking van de producten (wassen, verpakken). Dit doet de groothandel zelf.
  • Heb je een beter beeld van wat je te bieden hebt, dan kun je aankloppen bij natuurwinkels of andere lokale verkopers, of bijvoorbeeld aansluiten bij bestaande lokale (boeren)markten.
  • Een eigen markt opzetten is ook een mogelijkheid, mits je toestemming hebt van de gemeente.

Strawberry harvestQua marketing benadrukt Sobie de persoonlijke aanpak. Je moet er allereerst voor zorgen dat je een band opbouwt met je klanten. Mensen willen weten van wie ze hun eten kopen. Omdat je zelf rechtstreeks kunt verkopen in de stad / wijk waar je ook produceert heb je al een voorsprong op de onzichtbare boer die via de groothandel levert. Daar kun je op voort bouwen.

Zorg vervolgens dat je te allen tijde je verhaal kunt vertellen. Waarom run je je ‘boerderij’ zoals je hem runt? Hoe pak je het aan? Wat is je motivatie en wat is je geschiedenis? Sobie zelf verwerkte ook haar eigen tegenslagen in haar verhaal. Zo kwam zij bijvoorbeeld pas drie maanden nadat zij met het opzetten van haar tuinen van start was gegaan erachter dat het commercieel verbouwen en verkopen van voedsel in private tuinen illegaal was in haar gemeente. Met steun van haar (potentiele) klantenkring bracht ze haar zaak onder de aandacht bij de gemeente, die vervolgens de regelgeving aanpaste. Binnen een jaar was SPIN-farming legaal. Dit verhaal geeft de band met de lokale gemeenschap weer en het vertellen ervan versterkt die band alleen maar.

Leuk idee: Sobie maakte zelf gebruik van Google Maps om aan te geven waar haar tuinen zich bevonden en de markt waarop ze verkocht. De precieze afstand tussen tuin en markt schreef ze vervolgens op bordjes die ze bij haar marktwaar plaatste. “Deze wortel groeide hier 1000 meter vandaan.” Een mooie manier om de verbinding tussen voedsel en stad tastbaarder te maken.

NB. Hoewel de actieve maanden voor goed inkomen zorgden neemt Sobie in de winter maanden wat extra opdrachten aan op gebied van natuur en milieu educatie – haar originele beroep.

Meer informatie

De engelstalige SPIN-farming website (www.spinfarming.com) bevat uitgebreide informatie over de manier van werken van SPIN-farmers. Hoewel elke farmer zijn eigen werkwijze heeft, omdat uiteraard ook alle gevallen van elkaar verschillen, zijn er toch een aantal handige tips, zoals bovenstaande en nog vele andere.

Zie ook deze korte video waarin Paula Sobie uitlegt wat SPIN-farming is.