Samen met Josien Kapma faciliteer ik een een online leertraject over platteland en web2.0. Honderd deelnemers, en vandaag alweer dag 4. Na afloop van het traject, dat de hele maand februari duurt, hoop ik wat meer te schrijven over onze specifieke aanpak en mijn ervaringen als begeleider. Er zitten best leuke uitdagingen aan dit specifieke traject. Maar eerst een stukje over bloggen. dat is namelijk het onderwerp waar we vanaf vandaag mee aan de slag gaan.
Mijn Engelse weblog
Ik blog sinds 2005, toen een collega mij vroeg voor zijn project een weblog aan te maken. Ik had er al wel van gehoord, maar niets mee gedaan. Om uit te proberen eerst maar zelf wat opzetten dus. Eerst in de tool Blogger, maar al heel snel overgezet naar WordPress. Dat eerste blog bestaat nog steeds. Het is in het Engels. Je vind het hier: www.ruter.nl/blog.
Ik gebruikte het om te bloggen over de dingen die ik tegenkwam voor mijn werk. Wat over web2.0 tools, later steeds meer over communities of practice, online leren en kennis uitwisselen, kennismanagement in ontwikkelingssamenwerking, en de laatste jaren nog meer over de inhoudelijke kanten van mijn werk, bijvoorbeeld zorglandbouw en stadslandbouw. Die verschuiving van onderwerp, en het feit dat ik niet heel veel blog betekent ook dat ik geen hele grote vaste lezersgroep heb. Een klein groepje trouwe lezers, en verder veel mensen die de individuele berichten vinden via Google (zoeken) en dan eens verder neuzen naar andere berichten.
Sinds eind 2008 ben ik ook in het Nederlands gaan schrijven, hier op dit weblog. Dit was vooral om inhoud te geven aan het initiatief GUUS van LNV (later in het leertraject meer daarover). Inmiddels schrijf ik veel vaker hier dan op mijn Engelse weblog, ook omdat mijn werk veel meer naar NL is verschoven. Ook hier wordt mijn weblog het meest bezocht door mensen die via een zoekmachine opzoek zijn naar informatie, die zij dan tegenkomen in een berichtje wat ik ooit schreef.
Aanmoediging
Wat mij geweldig heeft aangemoedigd om echt door te zetten met het bloggen is een berichtje van online facilitation goeroe Nancy White. Toen ik net een week of twee was begonnen noemde zij mij op haar weblog, en verwees mensen door naar mijn blog. Ik kreeg ineens veel lezers (Nancy’s weblog was erg goed bezocht) en mensen lieten me berichtjes achter met leuke reacties. Eentje was een bekende, Joitske Hulsebosch (mijn eerste lezer). Zij schreef: “En nou wel doorzetten he?” En dat deed ik.
Waar ik blog
Je kunt ervoor kiezen om een persoonlijk weblog op te zetten, een blog voor een project of programma waar je aan werkt, samen met collega’s schrijven op een blog van je organisatie, etcetera. In een eerder leertraject (voor het netwerkteam van Netwerk Platteland) schreef ik hierover het volgende:
Met mijn eigen weblog bouw ik een eigen lezerskring op, laat ik mensen in mijn netwerk weten waar ik mee bezig ben / wat ik tegenkom, én ben ik meer zichtbaar voor mensen die mij nog niet kennen. Met een verantwoordelijkheid om betaalde opdrachten binnen te halen is bloggen op mijn eigen weblog ook gewoon een stukje acquisitie, niet alleen ‘leren’, ‘zelfreflectie’ ‘kennisdelen’.
Ik blog daarnaast op groepsblogs als ik het belangrijk vindt om de groep meer zichtbaar te maken, of als ik mezelf wil profileren als een lid van die groep. Als groep is het makkelijker om een dynamisch weblog te creëren, omdat meerdere mensen berichten plaatsen (dus meer berichtjes, dus meer lezers), die ook nog eens allemaal vanuit verschillende hoeken eenzelfde thema behandelen. Risico met een groepsblog (als bedrijf, netwerk, programma) is soms wel dat mensen zich iets minder kritisch durven uitlaten omdat je niet alleen namens jezelf lijkt te spreken maar de hele groep vertegenwoordigd. Dan krijg je meer ‘verslagjes’ dan echt interessante invalshoeken, opinie en intellectuele uitdagingen. Andersom kan het juist zijn dat mensen soms stukjes schrijven die niet in de smaak vallen bij de andere bloggers van de groep. Dat is iets wat je als groep onderling moet uitzoeken, denk ik. Ook via reacties op elkaar blog berichten kan dat.
Soms heeft een website of online communicatie platform (bijvoorbeeld NING of Hyves) ook een weblog functie. Je kunt dan binnen dat platform bloggen. Ik vind “echte” zelfstandige weblogs zoals (zoals Guus, Netwerk Platteland, ETC Adviesgroep of mijn eigen blogs) vaak makkelijker te lezen en te vinden dan weblogs die in zo’n platform verstopt zitten. Op de één of andere manier helpt het visuele aspect van een “omkaderd” of gefocust weblog gewoon bij het lezen en volgen.
Blog als website
Omdat de technologie van weblogs (zoals WordPress) zo makkelijk is, maak ik eigenlijk alleen nog maar gebruik van blog tools als ik een website wil opzetten. Het bijhouden van de informatie is een peuleschilletje, en de technologie biedt je lezers veel handige mogelijkheden, zoals het (per email) abonneren op alle nieuwe berichten. Zie bijvoorbeeld de website die ik maakte voor het project Dorpstuin Nunspeet, of de website van het EASE netwerk over energie en armoede.
Categorieën: Landbouw / Platteland
getagged: bloggen, guus, platteland, weblog, website
Een nieuwe wandelroute “Dwars door Gelderland” verbindt verschillende natuurgebieden met elkaar. De 165 km lange route start bij Harderwijk en gaat eerst richting Hulshorst, dan naar beneden via Garderen, langs/door Planken Wambuis, boven Arnhem langs, en dan met een kronkel langs Eerbeek, Dieren, door Doetingchem naar ’s-Heerenbergh. Ik moet heel eerlijk bekennen dat ik onze provincie niet goed genoeg ken om al de mooie gebieden bij name te kunnen noemen, maar hopelijk is dat allemaal binnenkort te lezen op de website van de wandelroute: www.dwarsdoorgelderland.nl. (Die website is al in de lucht maar biedt – op het moment van schrijven – een nieuwsberichtje over de beste oliebollenbakker in plaats van informatie over Route 1…)
Doe de EHS
Het komt er een beetje op neer dat je met zo’n route ervaart hoe al die gebieden nu of in de toekomst aan elkaar geschakelt zijn in een Ecologische HoofdStructuur. Mooi vind ik dat de tocht voor het grootste deel over onverharde paden gaat, de route in 25 etappes is te downloaden via wandelnet.nl én er een radioprogramma aan wordt gewijd. In dit programma reizen twee (voor mij on)bekende verslaggevers de route per etappe. Het programma start op 9 januari en is elke zaterdag tussen 10.00 en 13:00 uur te horen via Omroep Gelderland. Deze omroep is, samen met Natuurmonumenten en Stichting Wandelplatform LAW de initiatiefnemer acher de samengestelde wandelroute. Het is een samenstelling uit verschillende lange-afstandsroutes.
Laarzen of natte pootjes
Natuurmonumenten organiseert zaterdag 16 janurari een gezamenlijke wandeltocht onder begeleiding, waarbij een begin van de tocht wordt gelopen vanaf Hierden. Geadviseerd wordt waterdichte schoenen of laarzen te dragen. Zie www.natuurmonumenten.nl.
[Info uit: Veluweland]
Categorieën: natuurbeheer
getagged: ehs, gelderland, guusnet, law, natuurgebieden, natuurmonumenten, omroep gelderland, veluwe, wandelen, wandelplatform law
november 27, 2009 · 1 reactie
Sluiting van bankfilialen in kleine kernen

Recent meldde de Rabobank de openingstijden van een drietal filialen in de regio Noordoost Veluwe terug te brengen naar een minimum. Twee kantoren worden geheel gesloten. Een zakelijke beslissing, zo zegt de bank die de afgelopen jaren steeds meer diensten via internet aanbiedt en hiermee het aantal bezoekers van de bankkantoren wist terug te dringen. Heel efficiënt. Maar wel vervelend voor de klanten die nog wél aan het loket (willen) komen. Want internet heeft niet iedereen, en aan telefonische hulp zit een prijskaartje.
Trend
Het is een landelijke trend, zo zegt de bank. En daar hebben ze gelijk in. Al jarenlang trekken verschillende groepen aan de bel – wat zeg ik, een heel klokkenspel wordt geluid. De leefbaarheid in de kleine kernen gaat achteruit, de voorzieningen verdwijnen. De dorpen lopen leeg of mensen zijn er weinig meer actief – ze werken, consumeren en ’socialiseren’ in de stad verderop. Dus elke balie, of dat nu die van de lokale bakker is of van een bank, heeft moeite om open te blijven. Elke ondernemer neemt hierin zijn eigen beslissingen. De een wat socialer dan de ander.
Reacties
De beslissing van de Rabobank treft vijf kernen van de gemeenten Nunspeet, Elburg en Oldebroek. Ondernemers(verenigingen) in de verschillende kernen probeerden in gesprek met de bank naar oplossingen te zoeken. Maar zonder succes (Veluweland 19 nov 2009). Inmiddels is in Oldenbroek door burgers een handtekeningenactie gestart. Eén van de initiatiefgroepleden is Willem van Hattem, 20 jaar lang directeur van het bankkantoor in Oldebroek. Context van de reacties in Oldenbroek is overigens dat slechts 5 jaar geleden de lokale onafhankelijke bank fuseerde met de Rabobank, volgens de actievoerders onder voorwaarde dat de continuïteit van bankdiensten in stand bleef. Rabobank zegt hierover niets zwart op wit te hebben (Veluweland 25 nov 2009). Enerzijds betekent dit natuurlijk niet dat deze voorwaarde niet is besproken. Anderzijds zegt het wel dat, wanneer dit werkelijk één van de voorwaarden voor fusie was, de lokale bank hier weinig serieus mee om is gegaan door niets vast te leggen.
Coöperatieve kant
Dinsdag meldde de regionale krant Veluweland overigens dat de Rabobank in de regio binnenkort overstapt naar een bestuur volgens directiemodel. Dit brengt een risico met zich maar dat directeuren en te zakelijke houding aannemen. Een Ledenraad moet er daarom voor zorgen dat de bank haar coöperatieve kant behoudt. Die Ledenraad heeft de regio al, aldus algemeen directeur Jan Smit, “dus daar hebben we nu voordeel van.” Of en wat die Ledenraad heeft kunnen betekenen in de beslissing rondom sluiting van kantoren is me niet duidelijk.
Over de strategie van het regiokantoor zegt directeur Smit: “We streven naar een open contact. Wanneer leden met een probleem worstelen vragen we ze contact met ons op te nemen. We streven tevens naar maatwerk.” Dit klinkt wel mooi, maar is minder te rijmen met de grotere fysieke afstand die de bank schept met een groot deel van haar klanten. Wat betreft veel bewoners en ondernemers in de kleine kernen lijkt het coöperatieve gezicht van de bank in elk geval sterk verminderd.
Zelfs het spreekuur in het bejaardencentrum verdwijnt. Wanneer het voor Rabobankklanten niet al te ver reizen is naar de grotere kantoren om daar hun bankzaken te regelen, is het andersom voor bankpersoneel ook weinig moeite om dat spreekuur open te houden. Kantoorkosten heb je dan nog steeds uitgespaard.
Maatschappelijk verantwoord ondernemen
In reactie op de commotie rondom de sluitingen laat de Rabobank weten de dorpen al een flink eind tegemoet te komen door niet alle kleine kantoren te sluiten. Wanneer alleen naar de bedrijfseconomische aspecten wordt gekeken zouden alle 5 filialen de deuren sluiten en alleen de kantoren in Nunspeet en Elburg zelf open blijven, aldus een woordvoerder.
Dat kan waar zijn, maar zelfs mét de huidige financiële kosten van de kleine kantoren maakte de bank in ‘crisisjaar’ 2008 nog een winst van 2,8 miljard. Een organisatie die zich op allerlei manieren wil profileren als maatschappelijk verantwoord ondernemer kan zich misschien bij een dergelijke winst neerleggen en nieuwe efficiencyslagen achterwege laten. Vooral wanneer het voorzieningenniveau op het platteland een thema is waarvoor de bank wel drie fondsen ter beschikking stelt! Kijkt maar eens in de Kansenkaart voor het Platteland van Movisie, waar de Rabobank met haar fondsen in het subsidielijstje prijkt…
Gemeente
Zodra de gemeente Elburg van de voornemens van de bank op de hoogte was verstuurde zij een brief waarin zij haar bezorgdheid uitte en de bank vroeg de plannen nog eens te heroverwegen. “Wij wachten nog op een reactie. Meer kunnen wij niet doen”, reageerde de betreffende wethouder richting pers. Zelf lijkt me dat een vrij zwakke reactie. Uiteraard kan de gemeente niet heel direct het beleid van een commerciële onderneming beïnvloeden, maar een sterkere verdediging van de leefbaarheid in de kernen zou mooi zijn. Zelf geeft de gemeente al wel een denkrichting voor oplossingen aan: “Wellicht is er een creatieve oplossing mogelijk in de vorm van een bepaalde samenwerking met een andere partij. Denk aan een loket voor bankzaken in een winkel.”
Heel goed! Dat lijkt mij een mooie klus voor gemeente en ondernemers om verder uit te zoeken, mogelijk met betrokkenheid van burgers en andere partijen. Vast wel een Movisie of ander bureau dat hen daarbij wil helpen.
Het zou de Rabobank sieren zich als ondernemer én cruciale speler binnen de lokale economie vanaf de start aan te schuiven bij dat overleg. Doet zij dat niet, misschien dat gemeente en ondernemers dan eens subsidie kunnen aanvragen… bij een van die Rabofondsen voor lokale voorzieningen?
Categorieën: leefbaarheid
getagged: gelderland, guusnet, kleine kernen, leefbaarheid, platteland, plattelandsontwikkeling, rabobank, veluwe, voorzieningen
november 10, 2009 · 1 reactie
Vorige week woensdag (4 nov 2009) organiseerde het Kenniscentrum Recreatie voor het LNV programma Groen en de Stad een excursie. Thema: Voedsel in de Stad.
Almere heeft principes
In Almere startte de dag in het Stadsbouwhuis waar door (?) interessante plannen werden gepresenteerd om de stad richting 2030 flink uit te breiden (schaalsprong – kwantiteit) en tegelijk te voldoen aan een aantal zelf opgelegde principes – en geïnspireerd op de Hannover Principles (William McDonough) – om ook de kwaliteit op een goed pijl te houden. Stadslandbouw neemt daarin een belangrijke plaats in. De stad wil graag voor 20% kunnen voorzien in de eigen voedselbehoefte. Belangrijke voorwaarde voor slagen van deze plannen is of na de gemeenteraadsverkiezingen van 2010 de Almere Principles al dan niet serieus genomen worden door de nieuwe bestuurders van de stad.
Voor de uitbreiding van de stad is gekozen voor een “organisch ontwerp”. De oorspronkelijke loop van de Eem werd hierbij aangehouden, zo krijgen we te horen. Ik durfde niet te vragen hoe het nou kan dat de Eem liep waar nu Flevoland is, en waar toch vroeger gewoon de Zuiderzee lag.
Grappig te horen trouwens, dat Almere ooit is ontworpen met het oog op duurzaamheid. Het was voor mij een eerste bezoek aan deze stad, maar de reputatie “lelijkste stad van Nederland” had ik wel meegekregen. Dat rijmt toch weinig met mijn (meestal groen gekleurde) idee van duurzaamheid. Maar als ik kijk hoe Cradle-to-Cradle principes nu klaar liggen om langzaam in stadsbeleid te worden geïntegreerd, is dat zowel bewonderenswaardig als hoopgevend.
De Stadsboerderij Almere
Na het Stadsbouwhuis toerden wij naar De Stadsboerderij, waar we ontvangen werden door Tineke van den Berg. Uit de Stadslandbouwgids van Wageningen UR (al eens genoemd op mijn andere weblog) had ik begrepen dat de stadsboerderij al een aantal jaren geleden was opgericht na een concrete vraag van burgers voor een dergelijke boerderij. Tineke vertelde echter ook dat zij nog niet zo lang geleden in de krant las over de stadslandbouw plannen van de gemeente, en vervolgens contact heeft gezocht om Stadsboerderij Almere één van de actoren in dat plan te laten zijn. Mij doet dat vermoeden dat er door de gemeente toch weinig is gekeken naar en gepraat met de bestaande actoren, voordat er zo’n visie over het gebied werd uitgerold. Hoe dan ook, wel fijn dat stad en boer elkaar nu hebben gevonden.
Proeftuin Amsterdam
Restaurant De Kas in Amsterdam vormde de volgende stop van de excursie. Even pauze voor een overheerlijke – hoewel ietsje te lichte – lunch met groenten en kruiden uit de eigen kas. Na de lunch het woord aan Geert Timmermans van de gemeente Amsterdam om een toelichting te geven op het project Proeftuin Amsterdam. Proeftuin Amsterdam is een samenwerkingsverband tussen meerdere lokale overheidsspelers, met als doel initiatieven te ontwikkelen en/of ondersteunen rondom duurzame, lokale voedselketens. Ook vanuit elders in het land lijkt er steeds veel interesse te zijn in dit project. Tot nu toe werden er – voor zover ik begreep – geen partners uit bijvoorbeeld de private sector betrokken, om te kijken of de rol van zo’n proeftuin na het lopende traject kan worden voortgezet. Het lijkt mij dat zoiets de relevantie van het ingezette traject op de lange duur zou kunnen vergroten. En met de huidige interesse van private partijen om “iets te doen” met lokale, smakelijke voeding ook niet uit de lucht gegrepen.
Zorglandbouw project Klarenbeek
Wim Schoonhoven van zorginstelling Cordaan verwelkomde ons op aankomend stadslandgoed Klarenbeek, ten zuiden van Amsterdam. Als locatie op de aanvliegroute naar Schiphol komt er hier elke drie-en-een-halve minuut een vliegtuig over, wat praten vrijwel onmogelijk maakte. (Dan heeft de Noord-Veluwe niets te klagen, zelf niet als Lelystad Airport straks meer over onze huizen heen gaat vervoeren.) In mini gesprekjes konden wij toch heel wat horen van de immense klus die Cordaan zich op de hals haalde met het opknappen en in gebruik nemen van deze vervallen maar toch monumentale boerderij en omliggende veengrond. Het is te hopen dat de instelling de opgedane expertise ook op andere locaties kan gebruiken. Eén andere zorglandbouw locatie is al in de maak.
Goede vraag van Groen en de Stad stagiaire of de producten uit de moestuin ook binnen de eigen instelling gebruikt gaan worden. Zou theoretisch wel kunnen, als er op de boerderij faciliteiten waren om de groenten te wassen en snijden en in de juiste hoeveelheden en hygiënisch vervoerd naar de keukens van Cordaan vervoerd zou kunnen worden. Vooralsnog lijkt dat een schier onmogelijke klus. En zo blijkt een opmerking van Jan Willem van der Schans tijdens Foodprint maar weer al te waar; dat alles lokaal in eigen hand houden zelden een rendabele en echt duurzame manier van werken is. Lokale samenwerking, daarin liggen de mogelijkheden.
Boerderij educatie op Polderzicht
De al donker wordende dag werd afgesloten met een gesprek op melkveehouderij en bezoekboerderij Polderzicht bij Ouderkerk aan de Amstel. Negentig melkkoeien grazen alle dagen buiten op het veen. Machinale landbouw is geen optie op het veen dat weinig gewicht kan dragen. Naast melkkoeien lopen er ook geregeld kinderen over het bedrijf in het kader van boerderijeducatie. Iets dat je volgens ondernemers Annemiek en Gerard Korrel alleen doet wanneer je het leuk vindt. Het brengt – en dat gaf ook Tineke van den Berg ’s ochtends al aan – weinig tot geen geld op en kort vooral tijd en aanpassingsvermogen van de boer en zijn/haar bedrijf. Ook vormt de ligging van hun bedrijf op veenweide gebied met zich mee dat er geen gevaar is van de grond gejaagd te worden door de uitbreidende stad. Men wil dit gebied behouden en daarvoor is de boer nodig.
Voor mij was verrassend te horen dat de familie Korrel goed rond kan komen met de buitengrazers, zonder extra inkomsten uit nevenactiviteiten. Ik krijg vaak dat indruk dat alleen EKO boeren of zeer grootschalige, intensieve veehouders hun inkomsten puur uit de voedselproductie haalden. Wanneer de familie wel extra inkomsten nodig zou hebben gehad, zou een baan in de nabij gelegen stad meer voor de hand hebben gelegen. Dit is misschien ook een reden waarom er in de omgeving nauwelijks vergelijkbare activiteiten worden aangeboden op de boerderijen.
Interessante situatie: de vraag naar boerderijactiviteiten (educatie, toerisme, …) is rondom de stad juist groot en groeiende, maar voor de boeren die daar hun bedrijf hebben levert een baan in de stad meer op. Betekent dat dat stadsboeren die wél aan die vraag willen voldoen misschien per definitie een categorie boeren is dat daar ook het hart heeft liggen: in de wisselwerking tussen stad en land, consument en producent.
>> Foto’s van de excursie op Flickr
Categorieën: Stadslandbouw · Streekproducten · Voedsel
getagged: almere, amsterdam, cordaan, groen en de stad, guusnet, klarenbeek, polderzicht, proeftuin amsterdam, restaurant de kas, stadslandbouw

Pompoensoep lijkt als gerecht te passen bij veel van de dingen die we op dit moment belangrijk vinden. Het is gezond. Gemakkelijk en snel te maken, ook samen met kinderen thuis, op school of op de opvang. Pompoen is in ons klimaat goed te telen en te bewaren. Veel mensen zetten dan ook hun moestuin vol met pompoenen en verkopen de opbrengst op een lokale markt of aan de weg, vaak voor weinig geld. Suggestie: koop er een paar. Ze zijn namelijk lang te bewaren!
Het Idee
Tijdens het koken van pompoensoep gisteren (met schil en al, uitje erbij, in bouillon koken, pureren, klaar) bedacht ik een leuke actie voor de Dorpstuin. Als Dorpstuin willen we mensen betrekken bij het ecologisch telen van lokaal, gezond voedsel en willen we consumenten bewust maken van de weg die ingrediënten afleggen voor ze een lekker maaltje vormen op ons bord. Eten maken – from seed to table – kan heel mooi een sociale activiteit zijn en dat willen we aanmoedigen.
Vaak zie je tegen het eind van het jaar wedstrijden van de grootste pompoen. Maar meer of groot is niet altijd hetzelfde als lekker, gezond en duurzaam. Wat meer past bij de Dorpstuin is een pompoensoepwedstrijd. Hieronder de “ingrediënten”. Aanvullingen of alternatieven van harte welkom!
De Ingrediënten
- In het voorjaar zaaien we pompoenzaden in afbreekbare potjes. De kleine plantjes worden verkocht in het dorp, mogelijk tijdens een officiële opening van de Dorpstuin Nunspeet. De kopers – mensen van alle leeftijden – krijgen meteen een deelnamecertificaat om mee te kunnen doen aan de pompoensoepwedstrijd. Ook wat instructies voor de pompoenteelt worden meegegeven. Een pompoen groeit bijvoorbeeld heel goed op een composthoop. De plek geeft de plant veel voeding en andersom onttrekt de plant de compost aan het oog. Als je nog geen composthoop had is dit een mooie gelegenheid er eentje op te zetten.
- Een wedstrijddag wordt georganiseerd eind September / begin Oktober. Deelnemers melden zich x weken van tevoren aan zodat een goede locatie kan worden gezocht waar alle soepjes warm kunnen worden aangeboden. Geïnteresseerden die destijds geen plantje hebben gekocht kunnen wellicht nog een pompoen uit de Dorpstuin kopen, mits het aantal deelnemers de max nog niet heeft bereikt.
- Op de dag zelf – via de VVV en de lokale kranten aangekondigd – wordt natuurlijk de late oogst uit de Dorpstuin verkocht, inclusief pompoenen. Ook andere lokale voedselproducenten zijn welkom. Biologische eieren, kippen en rundvlees. Honing, kaas, walnoten, etcetera. Misschien nog wat leuke activiteiten, zoals een kookworkshop rondom (verschillende soorten) pompoenen.
- Een jury wordt samengesteld. Een goede kok of andere smaak-expert, een jeugdig jurylid (hiervoor kunnen kinderen zich aanmelden) en bijvoorbeeld een wethouder.
- Beoordeling voor de soep door de jury gebeurt aan de hand van verschillende aspecten. Hoe ziet de soep eruit, hoe ruikt hij, hoe smaakt hij? Maar ook: hoe creatief is het recept, hoe lokaal / duurzaam zijn de ingrediënten, hoe makkelijk is de soep te bereiden, en hoe gezond is het soepje uiteindelijk? Nog andere, goede criteria?
- De jury proeft wat van alle soepjes en roept een prijswinnaar uit: de Pompoenen Prins of Prinses. Met hulp van de lokale media kan de winnaar in het zonnetje worden gezet. Het winnende recept wordt op de website van Dorpstuin Nunspeet geplaatst (www.dorpstuinnunspeet.nl). Ook ontvangt de winnaar een leuke prijs. (Nog te bedenken. Hangt ook af van de leeftijd van de winnaar natuurlijk. Een kind van 10 heeft misschien niet zoveel zin in een duurzaam diner voor twee.)
- Het publiek kan stemmen voor een publieksprijs (op kleur, geur en smaak). Uiteraard wordt ook deze winnaar beloond en bekroond. Verder worden de bezoekers aangemoedigd de Dorpstuin suggesties doen, zich aanmelden als vrijwilliger voor het nieuwe seizoen en/of zich aanmelden voor de nieuwsbrief.
Lijkt me een leuke actie die mensen al aan het begin van het jaar betrekt, en een mooie afsluiting vormt van het oogstseizoen. Wanneer we e.e.a. voor elkaar hebben met de Dorpstuin verschijnt een aankondiging aldaar op de website.
Categorieën: 1
getagged: dorpstuin nunspeet, guusnet, pompoen, pompoensoep, smaak, Voedsel, wedstrijd
Wanneer men zich in Italië bezig houdt met landbouw en zorg heet dat “sociaal boeren”. Ik vind dat altijd een mooie term, die heel breed kijkt naar de sociale functie van de zorgboer (en zijn andere sociale collega’s) binnen de samenleving.
Sociale boer
Een geweldig voorbeeld van zo’n sociale boer in Nederland is Jaap Gorter. Jaap heeft decennia lang ervaring als tuinder / zorgboer, in Nederland (bij de Noaberhoeve in Echten) en daarbuiten. Ik maakte kennis met hem op een ontmoetingsdag van Stichting Omslag en de CoP Farming for Health. Afgelopen vrijdag nam Jaap uitgebreid de tijd om mij flink opweg te helpen met de plannen voor Dorpstuin Nunspeet.
Balanceren
Eén aspect van het zorgboeren dat steeds weer terugkwam in ons gesprek, was de moeilijke en uitdagende balans tussen de hoeveelheid werk en hoeveelheid hulp op de tuin. Hoe zorg je dat er steeds genoeg geschikt werk ligt voor de vaste deelnemers, maar dat je het werk ook kunt behappen wanneer de verwachtte hulp om wat voor reden dan ook tegenvalt.
Om te zorgen dat je genoeg werk achter de hand hebt, kun je bufferklussen creëren (hout hakken of aardappelzakken naaien, bijvoorbeeld) voor de rustiger periodes. Wanneer er over het geheel genomen meer werk nodig lijkt te zijn, moet je soms een structurele klus aanhalen, zoals uitbreiding van je tuin. Toch kan het zijn dat dat werk daarna moeilijk bij te benen is, omdat deelnemers minder gaan werken of wegblijven, de inzet van vrijwilligers afneemt, of bijvoorbeeld door eigen ziekte.
Inhalen
Je rekent op veel hulp, maar wanneer die hulp tegen valt moet je ook de nodige maatregelen kunnen nemen. Dat betekent werk snel in je eentje uitvoeren of dingen laten gaan. Wat de eerste optie betreft kun je door mechanisatie in weinig tijd veel werk uitvoeren. Werken met de rolschoffel – “de beste uitvinding sinds de fiets” aldus Jaap - als voorbeeld. Bij de inrichting van de tuin moet je hier rekening mee houden. Op zo’n manier inrichten dat er genoeg duidelijke klussen voor deelnemers zijn, en tegelijk zó dat er makkelijk en snel door te tuin kan worden gegaan om te planten, schoffelen of oogsten.
Laten gaan
Dingen laten gaan is misschien nog veel moeilijker dan die inhaalslag maken. Wanneer het werk in een deel van de tuin toch uit de hand loopt en onkruid alles overwoekert, is het soms beter dat stukje tuin te frezen en opnieuw te beginnen. Het is tegelijk een beetje hard zijn - een streep trekken door je werk en je plannen – als ook jezelf fouten toestaan en verder gaan.
Daarin vormt het werken in de tuin weer een mooie metafoor voor je eigen leven op andere niveaus, lijkt me. Niet alleen voor deelnemers aan je tuin of boerderij, maar ook voor zorgboeren en werkbegeleiders.
Categorieën: Landbouw en Zorg
getagged: balanceren, dorpstuin nunspeet, farmingforhealth, guusnet, vrijwilligers, zorg, zorglandbouw
Vandaag start de Week van de Geschiedenis met dit jaar als thema Oorlog en Vrede. In Utrecht is er o.a. een activiteitendag georganiseerd in het Volksbuurtmuseum Wijk C aan de Waterstraat 27. Onderwerp van de dag is de Hongerwinter 1944/1945.

Kunnen u of uw kinderen zich voorstellen hoe het moet zijn geweest om te leven tijdens de Hongerwinter 1944/1945? In het kader van de Week van de geschiedenis, die dit jaar het thema ‘Oorlog en Vrede’ draagt, vindt er in het Volksbuurtmuseum Wijk C een bijzonder evenement plaats. Op 17 oktober kunt u ervaren hoe het leven er tijdens de Hongerwinter in Nederland uit moet hebben gezien.
Geheel in de geest van het Volksbuurtmuseum worden er laagdrempelige activiteiten georganiseerd waarbij de inwoners van Wijk C zijn betrokken. Direct bij binnenkomst zal u ervaren dat de ruilhandel belangrijk was om aan voedsel te komen. U moet uw lievelingseten even vergeten, want u ontvangt ‘waardevolle’ spullen waarmee hopelijk voedsel gekocht kan worden. Aan de hand van illustraties over de hongerwinter en door het maken van opdrachten volgt u een route in het museum.
U kunt zelf ervaren hoe het is om een kinderwagen te trekken, gevuld met wat aardappelen, knollen en bieten. U kunt aanschuiven aan tafel om te luisteren naar verhalen van enkele inwoners van Utrecht die in de oorlog een volkstuin hadden. Er wordt op een petroleumstel ‘oorlogsvoedsel’ klaar gemaakt waarvan u mag proeven. Ook kunt u kennismaken met de moestuinverenigingen die er nu nog zijn in Utrecht. Wat kan er verbouwd worden in een moestuin en wat is er nog meer mogelijk met een moestuin? Ook kunt u te weten komen hoe u aan een moestuin kunt komen.
Oral history project
De activiteitendag is een initiatief van Gerhard van de Berg, Tico Koopmans en Iris van Meer. Met deze dag hopen de drie initiatiefnemers o.a. positieve aandacht te krijgen voor een mondeling geschiedenis (oral history) project waar zij al langere tijd aan werken. In dat project staan verhalen centraal van mensen die een volkstuin hielden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Doormiddel van interviews wil het team onderzoeken in hoeverre deze volkstuinen hebben bijgedragen aan het verbeteren van de toenmalige voedselsituatie.
Verhaal in beeld
Van de Berg, Koopmans en Van Meer willen met hun project een start maken om verhalen rondom volkstuinen tijdens de Tweede Wereldoorlog op te sporen en vast te leggen. Zij willen deze data gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek en mogelijk voor een documentaire. Volkstuinvereniging De Pioniers, die komend jaar 75 jaar bestaat, is van plan de verhalen te gebruiken voor een essay.
Enkele getuigen zijn al opgespoord. Deze ouderen hadden tijdens de oorlog een moestuin en willen hierover vertellen. Twee van hen zijn aanwezig tijdens de activiteitendag in het Volksbuurtmuseum. Zij zullen vragen beantwoorden van bezoekers, om zo een beter beeld te geven van die periode. De initiatiefnemers van het oral history project hopen dat n.a.v. de activiteitendag ook andere getuigen zich melden.
Er is nog maar weinig informatie over het onderwerp te vinden, en steeds minder mensen die er iets over zouden kunnen vertellen. Met dit project willen we verhalen vastleggen voordat dit niet meer kan.
Onduidelijkheden
Afgelopen week sprak ik met Gerhard van de Berg (eerder coördinator van het project Levende Herinneringen) over het moestuinenproject. Van de Berg geeft aan dat er nog veel vragen zijn die met dit project hopelijk opgehelderd kunnen worden.
Was er wel genoeg zaai- en pootgoed? Werd de groente niet gestolen zodra het rijp was? In Utrecht is er een NSB commissie ingesteld bij een aantal moestuincomplexen. Wilde je daar dan nog wel komen? Had je tijd om de moestuin te onderhouden? Was het niet meer een last dan een zegen?
Volkstuinen vandaag
Zijn stadsmensen vandaag de dag eigenlijk nog wel geïnteresseerd in het onderhouden van een volkstuin?
Interessant is dat er de afgelopen maanden tegenstrijdige berichten in kranten staan. Er wordt geschreven dat er meer moestuinen bijkomen en aan de andere kant wordt er geschreven dat er een afname is van moestuinen.
In elk geval, ook vandaag de dag kan de volkstuin van waarde zijn voor (mensen in) de stad, vindt Van de Berg.
Het kan kinderen leren waar groente en fruit vandaan komt. Wat seizoensgebonden groente is. Oogst uit de tuin is vaak een stuk lekkerder, en kan hierdoor een stimulans zijn om kinderen verse, zelfverbouwde groente te laten eten. Je leert als volkstuinder om te plannen, onderhouden en geduld te hebben.
De volkstuin heeft verder ook een sociale functie. Iedereen kan er bij betrokken worden. Het kan een extra sociale afdeling zijn van bejaardentehuizen/aanleunwoningen en ‘prachtwijken’ om gezamenlijk iets op te bouwen.
Volkstuinen kunnen er ook voor zorgen dat steden hun groene hart behouden. Misschien wel een vervanging voor de parken of een nieuwe functie voor braakliggende gronden in steden, waarbij de functie van park en moestuin gecombineerd kunnen worden.
Prijs
Het oral history project – dat uitgevoerd moet worden met lokale fondsen – is opgezet in samenwerking met Landschap Erfgoed Utrecht. Om het project meer bekendheid te geven, is ook het Volksbuurtmuseum Wijk C erbij betrokken en werd de eerder genoemde activiteitendag georganiseerd, als onderdeel van de Week van de Geschiedenis.
Aan de Week van de Geschiedenis is ook een prijs verbonden die bestaat uit een cheque van 5.000 euro. Uit ruim 700 inzendingen is een selectie van 10 activiteiten gemaakt, waarbij ook de activiteitendag in het Volksbuurtmuseum is genomineerd. Vanaf 17 oktober is op de website van Week van de Geschiedenis een filmpje te vinden waarop bezoekers kunnen stemmen. Van de Berg hoopt dat veel mensen stemmen op hun activiteit. Winnen ze de prijs, dan is het eerste bedrag binnengesleept om aan het oral history project te kunnen beginnen.
Categorieën: Stadslandbouw · Voedsel
getagged: geschiedenis, guusnet, hongerwinter, interviews, moestuin, oral history, stadslandbouw, tweede wereldoorlog, utrecht, Voedsel, volksbuurtmuseum, volkstuinen, wijk c, WO II
Een knipseltje uit de krant Costa del Sol Actueel (meegebracht door schoonvaders vanuit het zonnige zuiden), vertelt dat in de zuidelijke gemeente Antequera een ouderencentrum gaat starten met ecologische moestuinen. Het project is een initiatief van de gemeente. Volgens de regerende partijen hebben nog veel ouderen de droom hun eigen gewassen te verbouwen. Zelf wil de gemeente graag ecologisch tuinieren en de beschikbaarheid van ecologisch voedsel bevorderen. Met dit project slaat zij dus twee vliegen in één klap.
De gemeente stelt percelen landbouwgrond beschikbaar en andere nodige middelen om ecologisch tuinieren mogelijk te maken. De opbrengst is in eerste instantie voor eigen gebruik in het ouderencentrum zelf, maar wordt later mogelijk ook op een markt verkocht. Er is momenteel al een ecologische markt op zaterdagen, genaamd Ecoantequera.
De krant meldt nog meer: “Daarnaast heeft de gemeenteraad besloten om een subsidie beschikbaar te stellen voor de bouw van een kassencomplex waar mensen die moeilijk meekomen in de samenleving zullen gaan werken.”
(Ben benieuwd of met de toename van dit soort projecten ook het aandeel Spaanstalige mensen in de Farming for Health CoP zal gaan groeien. Al lange tijd blijft dat aantal hangen op 1 of 2 leden. Mogelijk de taalbarrière.)
Categorieën: Landbouw / Platteland · Landbouw en Zorg · Stadslandbouw · Voedsel
getagged: antequera, biologische markt, costa del sol, ecoantequera, ecologisch, farming for health, guusnet, moestuin, ouderen, spanje, tuinieren
Gisteren was ik bij Hogeschool Domstad in Utrecht, vlakbij de Munt (foto) en molen De Ster (foto onder), te gast bij een bijeenkomst van de NBvP / Vrouwen van Nu. Ik sprak met hen over web 2.0. Mijn voorbereidende blog bericht van gisteren heb ik inmiddels hier en daar aangepast, zodat de links te vinden zijn die tijdens dat gesprek voorbij kwamen.
Beginnetje
Leuk om te zien en horen is dat er al verschillende vrouwen op Twitter zitten, lid van LinkedIn zijn en mensen in hun kennissenkring kennen die een weblog bijhouden. Er is dus al sprake van een Vrouwen van Nu 2.0! Mogelijk dat na gisteren er nog wat nieuwe vrouwen op Twitter (via @VrouwenvanNu) te zien zijn, een weblog starten of de LinkedIn groep van Vrouwen van Nu volgen. Een manier om dat ge-internet wat concreter aan Vrouwen van Nu te koppelen – en daarmee het niveau van individuele uitingen te overstijgen – is door de twitters en blog berichten van meerdere vrouwen zichtbaar te maken op de Vrouwen van Nu website.
GUUS
In de ochtend sprak NBvP directeur Conny Voordendag al over GUUS, de online kennissenkring rondom het thema platteland en plattelandsontwikkeling. “We hadden al vaker van Guus gehoord. Nu weten we eindelijk wie die Guus is!” aldus voorzitter Ien Vinkenburg. Door op internet de link met GUUS op te zoeken (via Twitter, het weblog, de LinkedIn groep bijvoorbeeld) kunnen de plattelandsvrouwen hun netwerk enorm uitbreiden. Zeker op het gebied van plattelandsontwikkeling kan de organisatie hiermee relevante kennis opdoen én de eigen activiteiten (landelijk en regionaal/lokaal) onder de aandacht brengen en verder ontwikkelen.
Kansen
Als 60 minuten inspiratiesessie was het te kort om uitgebreid in te gaan op wat dat “web 2.0″ nu allemaal zou kunnen bijdragen aan Vrouwen van Nu als netwerkorganisatie. Zo op het eerste oog lijkt het me dat er in brede zin veel kansen zijn, bijvoorbeeld op dat gebied van plattelandsontwikkeling.
Een paar maanden geleden sprak mijn collega Henk Kieft (ETC Adviesgroep en Netwerk Platteland) al met een aantal Vrouwen van Nu over de meerwaarde van vrouwen voor plattelandsontwikkeling, en hoe dat in de praktijk vorm kan krijgen. In zijn korte impressie van deze bijeenkomst vielen mij een aantal kernwoorden op: sociaal, sociale waarden, relationele economie, integraal denken, verbinden, her-verbinden. Dit zijn termen die veelvuldig terugkeren in de gesprekken over de aard en mogelijkheden van web 2.0. Web 2.0 lijkt wat dat betreft een ideale match te zijn vooor actieve vrouwen op het platteland. Ook concrete activiteiten die tijdens die eerdere bijeenkomst werden genoemd, zoals beïnvloeding van dorpsplannen en lokale politiek of het organiseren en communiceren van culturele activiteiten, kunnen op een hoger plan worden getild door gebruik te maken van al die nieuwe online PR en communicatie mogelijkheden.
Kansen benutten
Kansen zijn er dus zeker. Hoe die te benutten? In eerste instantie is dat denk ik een kwestie van uitproberen en gewoon beginnen. Pas dan beginnen andere voorbeelden die je ziet betekenis te krijgen in de context van het eigen netwerk. Ook kan dan het gesprek worden gevoerd over het waarom, wat en hoe. Vragen die daarbij komen kijken zijn bijvoorbeeld:
- Als we ons voor het faciliteren van het netwerk wenden tot het internet, wat is dan de rol en meerwaarde van het landelijk bureau daarin, en hoe maak je dat duidelijk aan de leden?
- Hoe betrek je die vrouwen die nu nog helemaal geen gebruik maken van internet? (Kan de verbinding met kinderen en kleinkinderen hierbij een zinvolle invalshoek zijn?)
- Wat gaat het nou heel concreet opleveren? En als de resultaten niet concreet en tastbaar zijn, hoe kan een stap naar web 2.0 dan worden aangemoedigd? (Focus op creativiteit en innovatie in plaats van het bewijzen van productiviteitsverhoging?)
Relevante én interessante vragen. Waard om ter tafel te komen in besprekingen van Vrouwen van Nu in de komende periode. Ik ben benieuwd!
In de tussentijd aan de trekkers binnen Vrouwen van Nu 2.0: vier de successen, ook de kleine, en leg de verbinding met je geprinte media en bijeenkomsten. Zorg dat je de mooie voorbeelden en bijvoorbeeld het persoonlijke verhaal van vrouwen die een stap naar web 2.0 maakten, vastlegt. Om als illustratie te kunnen gebruiken en de (potentiële) waarde van het web zichtbaar te maken voor andere vrouwen in het netwerk.
[Komende week is Josien Kapma nog te gast bij een andere Vrouwen van Nu bijeenkomst. Zij is een van de drijvende krachten achter het GUUS initiatief en houdt zich veel bezig met o.a. platteland, vrouwen op het platteland en web 2.0. We zullen ongetwijfeld ergens (op het GUUS blog of één van Josien's andere schrijf-plekken) meer kunnen lezen over deze ontmoeting en haar ideeën over kansen voor de toekomst. Ik ben zeker ook benieuwd naar díe reflecties!]
Categorieën: Kennisnetwerken · Landbouw / Platteland
getagged: guusnet, nbvp, plattelandsontwikkeling, plattelandsvrouwen, vrouwen van nu, web2.0