november 10, 2009 · 1 Reactie
Vorige week woensdag (4 nov 2009) organiseerde het Kenniscentrum Recreatie voor het LNV programma Groen en de Stad een excursie. Thema: Voedsel in de Stad.
Almere heeft principes
In Almere startte de dag in het Stadsbouwhuis waar door (?) interessante plannen werden gepresenteerd om de stad richting 2030 flink uit te breiden (schaalsprong – kwantiteit) en tegelijk te voldoen aan een aantal zelf opgelegde principes – en geïnspireerd op de Hannover Principles (William McDonough) – om ook de kwaliteit op een goed pijl te houden. Stadslandbouw neemt daarin een belangrijke plaats in. De stad wil graag voor 20% kunnen voorzien in de eigen voedselbehoefte. Belangrijke voorwaarde voor slagen van deze plannen is of na de gemeenteraadsverkiezingen van 2010 de Almere Principles al dan niet serieus genomen worden door de nieuwe bestuurders van de stad.
Voor de uitbreiding van de stad is gekozen voor een “organisch ontwerp”. De oorspronkelijke loop van de Eem werd hierbij aangehouden, zo krijgen we te horen. Ik durfde niet te vragen hoe het nou kan dat de Eem liep waar nu Flevoland is, en waar toch vroeger gewoon de Zuiderzee lag.
Grappig te horen trouwens, dat Almere ooit is ontworpen met het oog op duurzaamheid. Het was voor mij een eerste bezoek aan deze stad, maar de reputatie “lelijkste stad van Nederland” had ik wel meegekregen. Dat rijmt toch weinig met mijn (meestal groen gekleurde) idee van duurzaamheid. Maar als ik kijk hoe Cradle-to-Cradle principes nu klaar liggen om langzaam in stadsbeleid te worden geïntegreerd, is dat zowel bewonderenswaardig als hoopgevend.
De Stadsboerderij Almere
Na het Stadsbouwhuis toerden wij naar De Stadsboerderij, waar we ontvangen werden door Tineke van den Berg. Uit de Stadslandbouwgids van Wageningen UR (al eens genoemd op mijn andere weblog) had ik begrepen dat de stadsboerderij al een aantal jaren geleden was opgericht na een concrete vraag van burgers voor een dergelijke boerderij. Tineke vertelde echter ook dat zij nog niet zo lang geleden in de krant las over de stadslandbouw plannen van de gemeente, en vervolgens contact heeft gezocht om Stadsboerderij Almere één van de actoren in dat plan te laten zijn. Mij doet dat vermoeden dat er door de gemeente toch weinig is gekeken naar en gepraat met de bestaande actoren, voordat er zo’n visie over het gebied werd uitgerold. Hoe dan ook, wel fijn dat stad en boer elkaar nu hebben gevonden.
Proeftuin Amsterdam
Restaurant De Kas in Amsterdam vormde de volgende stop van de excursie. Even pauze voor een overheerlijke – hoewel ietsje te lichte – lunch met groenten en kruiden uit de eigen kas. Na de lunch het woord aan Geert Timmermans van de gemeente Amsterdam om een toelichting te geven op het project Proeftuin Amsterdam. Proeftuin Amsterdam is een samenwerkingsverband tussen meerdere lokale overheidsspelers, met als doel initiatieven te ontwikkelen en/of ondersteunen rondom duurzame, lokale voedselketens. Ook vanuit elders in het land lijkt er steeds veel interesse te zijn in dit project. Tot nu toe werden er – voor zover ik begreep – geen partners uit bijvoorbeeld de private sector betrokken, om te kijken of de rol van zo’n proeftuin na het lopende traject kan worden voortgezet. Het lijkt mij dat zoiets de relevantie van het ingezette traject op de lange duur zou kunnen vergroten. En met de huidige interesse van private partijen om “iets te doen” met lokale, smakelijke voeding ook niet uit de lucht gegrepen.
Zorglandbouw project Klarenbeek
Wim Schoonhoven van zorginstelling Cordaan verwelkomde ons op aankomend stadslandgoed Klarenbeek, ten zuiden van Amsterdam. Als locatie op de aanvliegroute naar Schiphol komt er hier elke drie-en-een-halve minuut een vliegtuig over, wat praten vrijwel onmogelijk maakte. (Dan heeft de Noord-Veluwe niets te klagen, zelf niet als Lelystad Airport straks meer over onze huizen heen gaat vervoeren.) In mini gesprekjes konden wij toch heel wat horen van de immense klus die Cordaan zich op de hals haalde met het opknappen en in gebruik nemen van deze vervallen maar toch monumentale boerderij en omliggende veengrond. Het is te hopen dat de instelling de opgedane expertise ook op andere locaties kan gebruiken. Eén andere zorglandbouw locatie is al in de maak.
Goede vraag van Groen en de Stad stagiaire of de producten uit de moestuin ook binnen de eigen instelling gebruikt gaan worden. Zou theoretisch wel kunnen, als er op de boerderij faciliteiten waren om de groenten te wassen en snijden en in de juiste hoeveelheden en hygiënisch vervoerd naar de keukens van Cordaan vervoerd zou kunnen worden. Vooralsnog lijkt dat een schier onmogelijke klus. En zo blijkt een opmerking van Jan Willem van der Schans tijdens Foodprint maar weer al te waar; dat alles lokaal in eigen hand houden zelden een rendabele en echt duurzame manier van werken is. Lokale samenwerking, daarin liggen de mogelijkheden.
Boerderij educatie op Polderzicht
De al donker wordende dag werd afgesloten met een gesprek op melkveehouderij en bezoekboerderij Polderzicht bij Ouderkerk aan de Amstel. Negentig melkkoeien grazen alle dagen buiten op het veen. Machinale landbouw is geen optie op het veen dat weinig gewicht kan dragen. Naast melkkoeien lopen er ook geregeld kinderen over het bedrijf in het kader van boerderijeducatie. Iets dat je volgens ondernemers Annemiek en Gerard Korrel alleen doet wanneer je het leuk vindt. Het brengt – en dat gaf ook Tineke van den Berg ’s ochtends al aan – weinig tot geen geld op en kort vooral tijd en aanpassingsvermogen van de boer en zijn/haar bedrijf. Ook vormt de ligging van hun bedrijf op veenweide gebied met zich mee dat er geen gevaar is van de grond gejaagd te worden door de uitbreidende stad. Men wil dit gebied behouden en daarvoor is de boer nodig.
Voor mij was verrassend te horen dat de familie Korrel goed rond kan komen met de buitengrazers, zonder extra inkomsten uit nevenactiviteiten. Ik krijg vaak dat indruk dat alleen EKO boeren of zeer grootschalige, intensieve veehouders hun inkomsten puur uit de voedselproductie haalden. Wanneer de familie wel extra inkomsten nodig zou hebben gehad, zou een baan in de nabij gelegen stad meer voor de hand hebben gelegen. Dit is misschien ook een reden waarom er in de omgeving nauwelijks vergelijkbare activiteiten worden aangeboden op de boerderijen.
Interessante situatie: de vraag naar boerderijactiviteiten (educatie, toerisme, …) is rondom de stad juist groot en groeiende, maar voor de boeren die daar hun bedrijf hebben levert een baan in de stad meer op. Betekent dat dat stadsboeren die wél aan die vraag willen voldoen misschien per definitie een categorie boeren is dat daar ook het hart heeft liggen: in de wisselwerking tussen stad en land, consument en producent.
>> Foto’s van de excursie op Flickr
Categorieën: Stadslandbouw · Streekproducten · Voedsel
getagged: almere, amsterdam, cordaan, groen en de stad, guusnet, klarenbeek, polderzicht, proeftuin amsterdam, restaurant de kas, stadslandbouw

Pompoensoep lijkt als gerecht te passen bij veel van de dingen die we op dit moment belangrijk vinden. Het is gezond. Gemakkelijk en snel te maken, ook samen met kinderen thuis, op school of op de opvang. Pompoen is in ons klimaat goed te telen en te bewaren. Veel mensen zetten dan ook hun moestuin vol met pompoenen en verkopen de opbrengst op een lokale markt of aan de weg, vaak voor weinig geld. Suggestie: koop er een paar. Ze zijn namelijk lang te bewaren!
Het Idee
Tijdens het koken van pompoensoep gisteren (met schil en al, uitje erbij, in bouillon koken, pureren, klaar) bedacht ik een leuke actie voor de Dorpstuin. Als Dorpstuin willen we mensen betrekken bij het ecologisch telen van lokaal, gezond voedsel en willen we consumenten bewust maken van de weg die ingrediënten afleggen voor ze een lekker maaltje vormen op ons bord. Eten maken – from seed to table – kan heel mooi een sociale activiteit zijn en dat willen we aanmoedigen.
Vaak zie je tegen het eind van het jaar wedstrijden van de grootste pompoen. Maar meer of groot is niet altijd hetzelfde als lekker, gezond en duurzaam. Wat meer past bij de Dorpstuin is een pompoensoepwedstrijd. Hieronder de “ingrediënten”. Aanvullingen of alternatieven van harte welkom!
De Ingrediënten
- In het voorjaar zaaien we pompoenzaden in afbreekbare potjes. De kleine plantjes worden verkocht in het dorp, mogelijk tijdens een officiële opening van de Dorpstuin Nunspeet. De kopers – mensen van alle leeftijden – krijgen meteen een deelnamecertificaat om mee te kunnen doen aan de pompoensoepwedstrijd. Ook wat instructies voor de pompoenteelt worden meegegeven. Een pompoen groeit bijvoorbeeld heel goed op een composthoop. De plek geeft de plant veel voeding en andersom onttrekt de plant de compost aan het oog. Als je nog geen composthoop had is dit een mooie gelegenheid er eentje op te zetten.
- Een wedstrijddag wordt georganiseerd eind September / begin Oktober. Deelnemers melden zich x weken van tevoren aan zodat een goede locatie kan worden gezocht waar alle soepjes warm kunnen worden aangeboden. Geïnteresseerden die destijds geen plantje hebben gekocht kunnen wellicht nog een pompoen uit de Dorpstuin kopen, mits het aantal deelnemers de max nog niet heeft bereikt.
- Op de dag zelf – via de VVV en de lokale kranten aangekondigd – wordt natuurlijk de late oogst uit de Dorpstuin verkocht, inclusief pompoenen. Ook andere lokale voedselproducenten zijn welkom. Biologische eieren, kippen en rundvlees. Honing, kaas, walnoten, etcetera. Misschien nog wat leuke activiteiten, zoals een kookworkshop rondom (verschillende soorten) pompoenen.
- Een jury wordt samengesteld. Een goede kok of andere smaak-expert, een jeugdig jurylid (hiervoor kunnen kinderen zich aanmelden) en bijvoorbeeld een wethouder.
- Beoordeling voor de soep door de jury gebeurt aan de hand van verschillende aspecten. Hoe ziet de soep eruit, hoe ruikt hij, hoe smaakt hij? Maar ook: hoe creatief is het recept, hoe lokaal / duurzaam zijn de ingrediënten, hoe makkelijk is de soep te bereiden, en hoe gezond is het soepje uiteindelijk? Nog andere, goede criteria?
- De jury proeft wat van alle soepjes en roept een prijswinnaar uit: de Pompoenen Prins of Prinses. Met hulp van de lokale media kan de winnaar in het zonnetje worden gezet. Het winnende recept wordt op de website van Dorpstuin Nunspeet geplaatst (www.dorpstuinnunspeet.nl). Ook ontvangt de winnaar een leuke prijs. (Nog te bedenken. Hangt ook af van de leeftijd van de winnaar natuurlijk. Een kind van 10 heeft misschien niet zoveel zin in een duurzaam diner voor twee.)
- Het publiek kan stemmen voor een publieksprijs (op kleur, geur en smaak). Uiteraard wordt ook deze winnaar beloond en bekroond. Verder worden de bezoekers aangemoedigd de Dorpstuin suggesties doen, zich aanmelden als vrijwilliger voor het nieuwe seizoen en/of zich aanmelden voor de nieuwsbrief.
Lijkt me een leuke actie die mensen al aan het begin van het jaar betrekt, en een mooie afsluiting vormt van het oogstseizoen. Wanneer we e.e.a. voor elkaar hebben met de Dorpstuin verschijnt een aankondiging aldaar op de website.
Categorieën: 1
getagged: dorpstuin nunspeet, guusnet, pompoen, pompoensoep, smaak, Voedsel, wedstrijd
Wanneer men zich in Italië bezig houdt met landbouw en zorg heet dat “sociaal boeren”. Ik vind dat altijd een mooie term, die heel breed kijkt naar de sociale functie van de zorgboer (en zijn andere sociale collega’s) binnen de samenleving.
Sociale boer
Een geweldig voorbeeld van zo’n sociale boer in Nederland is Jaap Gorter. Jaap heeft decennia lang ervaring als tuinder / zorgboer, in Nederland (bij de Noaberhoeve in Echten) en daarbuiten. Ik maakte kennis met hem op een ontmoetingsdag van Stichting Omslag en de CoP Farming for Health. Afgelopen vrijdag nam Jaap uitgebreid de tijd om mij flink opweg te helpen met de plannen voor Dorpstuin Nunspeet.
Balanceren
Eén aspect van het zorgboeren dat steeds weer terugkwam in ons gesprek, was de moeilijke en uitdagende balans tussen de hoeveelheid werk en hoeveelheid hulp op de tuin. Hoe zorg je dat er steeds genoeg geschikt werk ligt voor de vaste deelnemers, maar dat je het werk ook kunt behappen wanneer de verwachtte hulp om wat voor reden dan ook tegenvalt.
Om te zorgen dat je genoeg werk achter de hand hebt, kun je bufferklussen creëren (hout hakken of aardappelzakken naaien, bijvoorbeeld) voor de rustiger periodes. Wanneer er over het geheel genomen meer werk nodig lijkt te zijn, moet je soms een structurele klus aanhalen, zoals uitbreiding van je tuin. Toch kan het zijn dat dat werk daarna moeilijk bij te benen is, omdat deelnemers minder gaan werken of wegblijven, de inzet van vrijwilligers afneemt, of bijvoorbeeld door eigen ziekte.
Inhalen
Je rekent op veel hulp, maar wanneer die hulp tegen valt moet je ook de nodige maatregelen kunnen nemen. Dat betekent werk snel in je eentje uitvoeren of dingen laten gaan. Wat de eerste optie betreft kun je door mechanisatie in weinig tijd veel werk uitvoeren. Werken met de rolschoffel – “de beste uitvinding sinds de fiets” aldus Jaap - als voorbeeld. Bij de inrichting van de tuin moet je hier rekening mee houden. Op zo’n manier inrichten dat er genoeg duidelijke klussen voor deelnemers zijn, en tegelijk zó dat er makkelijk en snel door te tuin kan worden gegaan om te planten, schoffelen of oogsten.
Laten gaan
Dingen laten gaan is misschien nog veel moeilijker dan die inhaalslag maken. Wanneer het werk in een deel van de tuin toch uit de hand loopt en onkruid alles overwoekert, is het soms beter dat stukje tuin te frezen en opnieuw te beginnen. Het is tegelijk een beetje hard zijn - een streep trekken door je werk en je plannen – als ook jezelf fouten toestaan en verder gaan.
Daarin vormt het werken in de tuin weer een mooie metafoor voor je eigen leven op andere niveaus, lijkt me. Niet alleen voor deelnemers aan je tuin of boerderij, maar ook voor zorgboeren en werkbegeleiders.
Categorieën: Landbouw en Zorg
getagged: balanceren, dorpstuin nunspeet, farmingforhealth, guusnet, vrijwilligers, zorg, zorglandbouw
Vandaag start de Week van de Geschiedenis met dit jaar als thema Oorlog en Vrede. In Utrecht is er o.a. een activiteitendag georganiseerd in het Volksbuurtmuseum Wijk C aan de Waterstraat 27. Onderwerp van de dag is de Hongerwinter 1944/1945.

Kunnen u of uw kinderen zich voorstellen hoe het moet zijn geweest om te leven tijdens de Hongerwinter 1944/1945? In het kader van de Week van de geschiedenis, die dit jaar het thema ‘Oorlog en Vrede’ draagt, vindt er in het Volksbuurtmuseum Wijk C een bijzonder evenement plaats. Op 17 oktober kunt u ervaren hoe het leven er tijdens de Hongerwinter in Nederland uit moet hebben gezien.
Geheel in de geest van het Volksbuurtmuseum worden er laagdrempelige activiteiten georganiseerd waarbij de inwoners van Wijk C zijn betrokken. Direct bij binnenkomst zal u ervaren dat de ruilhandel belangrijk was om aan voedsel te komen. U moet uw lievelingseten even vergeten, want u ontvangt ‘waardevolle’ spullen waarmee hopelijk voedsel gekocht kan worden. Aan de hand van illustraties over de hongerwinter en door het maken van opdrachten volgt u een route in het museum.
U kunt zelf ervaren hoe het is om een kinderwagen te trekken, gevuld met wat aardappelen, knollen en bieten. U kunt aanschuiven aan tafel om te luisteren naar verhalen van enkele inwoners van Utrecht die in de oorlog een volkstuin hadden. Er wordt op een petroleumstel ‘oorlogsvoedsel’ klaar gemaakt waarvan u mag proeven. Ook kunt u kennismaken met de moestuinverenigingen die er nu nog zijn in Utrecht. Wat kan er verbouwd worden in een moestuin en wat is er nog meer mogelijk met een moestuin? Ook kunt u te weten komen hoe u aan een moestuin kunt komen.
Oral history project
De activiteitendag is een initiatief van Gerhard van de Berg, Tico Koopmans en Iris van Meer. Met deze dag hopen de drie initiatiefnemers o.a. positieve aandacht te krijgen voor een mondeling geschiedenis (oral history) project waar zij al langere tijd aan werken. In dat project staan verhalen centraal van mensen die een volkstuin hielden tijdens de Tweede Wereldoorlog. Doormiddel van interviews wil het team onderzoeken in hoeverre deze volkstuinen hebben bijgedragen aan het verbeteren van de toenmalige voedselsituatie.
Verhaal in beeld
Van de Berg, Koopmans en Van Meer willen met hun project een start maken om verhalen rondom volkstuinen tijdens de Tweede Wereldoorlog op te sporen en vast te leggen. Zij willen deze data gebruiken voor wetenschappelijk onderzoek en mogelijk voor een documentaire. Volkstuinvereniging De Pioniers, die komend jaar 75 jaar bestaat, is van plan de verhalen te gebruiken voor een essay.
Enkele getuigen zijn al opgespoord. Deze ouderen hadden tijdens de oorlog een moestuin en willen hierover vertellen. Twee van hen zijn aanwezig tijdens de activiteitendag in het Volksbuurtmuseum. Zij zullen vragen beantwoorden van bezoekers, om zo een beter beeld te geven van die periode. De initiatiefnemers van het oral history project hopen dat n.a.v. de activiteitendag ook andere getuigen zich melden.
Er is nog maar weinig informatie over het onderwerp te vinden, en steeds minder mensen die er iets over zouden kunnen vertellen. Met dit project willen we verhalen vastleggen voordat dit niet meer kan.
Onduidelijkheden
Afgelopen week sprak ik met Gerhard van de Berg (eerder coördinator van het project Levende Herinneringen) over het moestuinenproject. Van de Berg geeft aan dat er nog veel vragen zijn die met dit project hopelijk opgehelderd kunnen worden.
Was er wel genoeg zaai- en pootgoed? Werd de groente niet gestolen zodra het rijp was? In Utrecht is er een NSB commissie ingesteld bij een aantal moestuincomplexen. Wilde je daar dan nog wel komen? Had je tijd om de moestuin te onderhouden? Was het niet meer een last dan een zegen?
Volkstuinen vandaag
Zijn stadsmensen vandaag de dag eigenlijk nog wel geïnteresseerd in het onderhouden van een volkstuin?
Interessant is dat er de afgelopen maanden tegenstrijdige berichten in kranten staan. Er wordt geschreven dat er meer moestuinen bijkomen en aan de andere kant wordt er geschreven dat er een afname is van moestuinen.
In elk geval, ook vandaag de dag kan de volkstuin van waarde zijn voor (mensen in) de stad, vindt Van de Berg.
Het kan kinderen leren waar groente en fruit vandaan komt. Wat seizoensgebonden groente is. Oogst uit de tuin is vaak een stuk lekkerder, en kan hierdoor een stimulans zijn om kinderen verse, zelfverbouwde groente te laten eten. Je leert als volkstuinder om te plannen, onderhouden en geduld te hebben.
De volkstuin heeft verder ook een sociale functie. Iedereen kan er bij betrokken worden. Het kan een extra sociale afdeling zijn van bejaardentehuizen/aanleunwoningen en ‘prachtwijken’ om gezamenlijk iets op te bouwen.
Volkstuinen kunnen er ook voor zorgen dat steden hun groene hart behouden. Misschien wel een vervanging voor de parken of een nieuwe functie voor braakliggende gronden in steden, waarbij de functie van park en moestuin gecombineerd kunnen worden.
Prijs
Het oral history project – dat uitgevoerd moet worden met lokale fondsen – is opgezet in samenwerking met Landschap Erfgoed Utrecht. Om het project meer bekendheid te geven, is ook het Volksbuurtmuseum Wijk C erbij betrokken en werd de eerder genoemde activiteitendag georganiseerd, als onderdeel van de Week van de Geschiedenis.
Aan de Week van de Geschiedenis is ook een prijs verbonden die bestaat uit een cheque van 5.000 euro. Uit ruim 700 inzendingen is een selectie van 10 activiteiten gemaakt, waarbij ook de activiteitendag in het Volksbuurtmuseum is genomineerd. Vanaf 17 oktober is op de website van Week van de Geschiedenis een filmpje te vinden waarop bezoekers kunnen stemmen. Van de Berg hoopt dat veel mensen stemmen op hun activiteit. Winnen ze de prijs, dan is het eerste bedrag binnengesleept om aan het oral history project te kunnen beginnen.
Categorieën: Stadslandbouw · Voedsel
getagged: geschiedenis, guusnet, hongerwinter, interviews, moestuin, oral history, stadslandbouw, tweede wereldoorlog, utrecht, Voedsel, volksbuurtmuseum, volkstuinen, wijk c, WO II
Een knipseltje uit de krant Costa del Sol Actueel (meegebracht door schoonvaders vanuit het zonnige zuiden), vertelt dat in de zuidelijke gemeente Antequera een ouderencentrum gaat starten met ecologische moestuinen. Het project is een initiatief van de gemeente. Volgens de regerende partijen hebben nog veel ouderen de droom hun eigen gewassen te verbouwen. Zelf wil de gemeente graag ecologisch tuinieren en de beschikbaarheid van ecologisch voedsel bevorderen. Met dit project slaat zij dus twee vliegen in één klap.
De gemeente stelt percelen landbouwgrond beschikbaar en andere nodige middelen om ecologisch tuinieren mogelijk te maken. De opbrengst is in eerste instantie voor eigen gebruik in het ouderencentrum zelf, maar wordt later mogelijk ook op een markt verkocht. Er is momenteel al een ecologische markt op zaterdagen, genaamd Ecoantequera.
De krant meldt nog meer: “Daarnaast heeft de gemeenteraad besloten om een subsidie beschikbaar te stellen voor de bouw van een kassencomplex waar mensen die moeilijk meekomen in de samenleving zullen gaan werken.”
(Ben benieuwd of met de toename van dit soort projecten ook het aandeel Spaanstalige mensen in de Farming for Health CoP zal gaan groeien. Al lange tijd blijft dat aantal hangen op 1 of 2 leden. Mogelijk de taalbarrière.)
Categorieën: Landbouw / Platteland · Landbouw en Zorg · Stadslandbouw · Voedsel
getagged: antequera, biologische markt, costa del sol, ecoantequera, ecologisch, farming for health, guusnet, moestuin, ouderen, spanje, tuinieren
Gisteren was ik bij Hogeschool Domstad in Utrecht, vlakbij de Munt (foto) en molen De Ster (foto onder), te gast bij een bijeenkomst van de NBvP / Vrouwen van Nu. Ik sprak met hen over web 2.0. Mijn voorbereidende blog bericht van gisteren heb ik inmiddels hier en daar aangepast, zodat de links te vinden zijn die tijdens dat gesprek voorbij kwamen.
Beginnetje
Leuk om te zien en horen is dat er al verschillende vrouwen op Twitter zitten, lid van LinkedIn zijn en mensen in hun kennissenkring kennen die een weblog bijhouden. Er is dus al sprake van een Vrouwen van Nu 2.0! Mogelijk dat na gisteren er nog wat nieuwe vrouwen op Twitter (via @VrouwenvanNu) te zien zijn, een weblog starten of de LinkedIn groep van Vrouwen van Nu volgen. Een manier om dat ge-internet wat concreter aan Vrouwen van Nu te koppelen – en daarmee het niveau van individuele uitingen te overstijgen – is door de twitters en blog berichten van meerdere vrouwen zichtbaar te maken op de Vrouwen van Nu website.
GUUS
In de ochtend sprak NBvP directeur Conny Voordendag al over GUUS, de online kennissenkring rondom het thema platteland en plattelandsontwikkeling. “We hadden al vaker van Guus gehoord. Nu weten we eindelijk wie die Guus is!” aldus voorzitter Ien Vinkenburg. Door op internet de link met GUUS op te zoeken (via Twitter, het weblog, de LinkedIn groep bijvoorbeeld) kunnen de plattelandsvrouwen hun netwerk enorm uitbreiden. Zeker op het gebied van plattelandsontwikkeling kan de organisatie hiermee relevante kennis opdoen én de eigen activiteiten (landelijk en regionaal/lokaal) onder de aandacht brengen en verder ontwikkelen.
Kansen
Als 60 minuten inspiratiesessie was het te kort om uitgebreid in te gaan op wat dat “web 2.0″ nu allemaal zou kunnen bijdragen aan Vrouwen van Nu als netwerkorganisatie. Zo op het eerste oog lijkt het me dat er in brede zin veel kansen zijn, bijvoorbeeld op dat gebied van plattelandsontwikkeling.
Een paar maanden geleden sprak mijn collega Henk Kieft (ETC Adviesgroep en Netwerk Platteland) al met een aantal Vrouwen van Nu over de meerwaarde van vrouwen voor plattelandsontwikkeling, en hoe dat in de praktijk vorm kan krijgen. In zijn korte impressie van deze bijeenkomst vielen mij een aantal kernwoorden op: sociaal, sociale waarden, relationele economie, integraal denken, verbinden, her-verbinden. Dit zijn termen die veelvuldig terugkeren in de gesprekken over de aard en mogelijkheden van web 2.0. Web 2.0 lijkt wat dat betreft een ideale match te zijn vooor actieve vrouwen op het platteland. Ook concrete activiteiten die tijdens die eerdere bijeenkomst werden genoemd, zoals beïnvloeding van dorpsplannen en lokale politiek of het organiseren en communiceren van culturele activiteiten, kunnen op een hoger plan worden getild door gebruik te maken van al die nieuwe online PR en communicatie mogelijkheden.
Kansen benutten
Kansen zijn er dus zeker. Hoe die te benutten? In eerste instantie is dat denk ik een kwestie van uitproberen en gewoon beginnen. Pas dan beginnen andere voorbeelden die je ziet betekenis te krijgen in de context van het eigen netwerk. Ook kan dan het gesprek worden gevoerd over het waarom, wat en hoe. Vragen die daarbij komen kijken zijn bijvoorbeeld:
- Als we ons voor het faciliteren van het netwerk wenden tot het internet, wat is dan de rol en meerwaarde van het landelijk bureau daarin, en hoe maak je dat duidelijk aan de leden?
- Hoe betrek je die vrouwen die nu nog helemaal geen gebruik maken van internet? (Kan de verbinding met kinderen en kleinkinderen hierbij een zinvolle invalshoek zijn?)
- Wat gaat het nou heel concreet opleveren? En als de resultaten niet concreet en tastbaar zijn, hoe kan een stap naar web 2.0 dan worden aangemoedigd? (Focus op creativiteit en innovatie in plaats van het bewijzen van productiviteitsverhoging?)
Relevante én interessante vragen. Waard om ter tafel te komen in besprekingen van Vrouwen van Nu in de komende periode. Ik ben benieuwd!
In de tussentijd aan de trekkers binnen Vrouwen van Nu 2.0: vier de successen, ook de kleine, en leg de verbinding met je geprinte media en bijeenkomsten. Zorg dat je de mooie voorbeelden en bijvoorbeeld het persoonlijke verhaal van vrouwen die een stap naar web 2.0 maakten, vastlegt. Om als illustratie te kunnen gebruiken en de (potentiële) waarde van het web zichtbaar te maken voor andere vrouwen in het netwerk.
[Komende week is Josien Kapma nog te gast bij een andere Vrouwen van Nu bijeenkomst. Zij is een van de drijvende krachten achter het GUUS initiatief en houdt zich veel bezig met o.a. platteland, vrouwen op het platteland en web 2.0. We zullen ongetwijfeld ergens (op het GUUS blog of één van Josien's andere schrijf-plekken) meer kunnen lezen over deze ontmoeting en haar ideeën over kansen voor de toekomst. Ik ben zeker ook benieuwd naar díe reflecties!]
Categorieën: Kennisnetwerken · Landbouw / Platteland
getagged: guusnet, nbvp, plattelandsontwikkeling, plattelandsvrouwen, vrouwen van nu, web2.0
september 30, 2009 · 1 Reactie
Tussen het voeden van onze jongste spruit en voorlezen van de oudste ben ik me wat aan het verdiepen in de lokale geschiedenis, met name op het gebied van de landbouw. Kom zo leuke dingen tegen, zoals over de naam van ons dorp, waarvan ik tot nu toe alleen de meest gebruikelijke uitleg tegenkwam. (Zie hier, over Landbouw in Nunspeet.)
Nog iets anders wat ik las: Onder de Germanen, die rond het begin van onze jaartelling in onze regio woonden, waren het vooral de vrouwen en slaven die landbouw bedreven. Het zwoegen op het land werd als laf en onmannelijk gezien, zo schrijft Tacitus. Waarom grond bewerken en eten verbouwen wanneer je zoiets ook als buit kon binnenhalen na een gevecht?
Tegenwoordig zijn het toch eigenlijk juist mannen die zich als boer met de landbouw en veeteelt bezig houden. Hun vrouw noemt zich zelden meer boerin, heeft vaak een baan buitenshuis, zorgt voor de kinderen en/of neemt nevenactiviteiten in het verbrede bedrijf op zich, zoals de zorg op de zorgboerderij of verkoop in de landwinkel.
Aan de andere kant lijkt de situatie van de afgelopen decennia misschien toch nog veel op die van tweeduizend jaar geleden. Voor velen lijkt het werk op het land nog altijd een minderwaardige manier van bestaan te zijn. Alleen besteedt men nu het gezwoeg vooral uit aan anonieme werkers ver buiten ons gezichtveld, in plaats van directe ondergeschikten.
Een gevecht om dat voedsel te krijgen wordt echter niet meer gevoerd. Een stukje plastic rondzwaaien en het heldhaftig intoetsen van vier cijfers is voldoende.

Categorieën: Landbouw / Platteland
getagged: germanen, geschiedenis, guusnet, landbouw, mannen, tacitus, vrouwen
Wilde Weelde
Wilde Weelde is de vakvereniging van natuurvriendelijke ondernemers in het groen. U vindt hier hoveniers, kwekers, boomverzorgers en leveranciers van verantwoorde tuinmaterialen. Er zijn ontwerpers die gespecialiseerd zijn in ecologisch gericht tuinadvies. Op het gebied van buurtgroen en natuurspeelplaatsen wordt groene vakkennis gecombineerd met expertise op het gebied van de begeleiding van sociale processen.
Therapeutsche tuin en symposium
In 2009 bestaat de vereniging 10 jaar. Er is besloten, dat we in dit jaar als Wilde Weelde-leden een therapeutische tuin gaan aanleggen als jubileumcadeau van Wilde Weelde aan een zorginstelling. Op 6 november volgt een symposium over het thema “Natuurlijk groen voor de zorg”. In een ontmoeting tussen mensen uit de zorg en uit het groen willen we mogelijkheden verkennen en van elkaar leren. Voor informatie en eventueel deelname: mail naar het secretariaat.
Bron: www.wildeweelde.org
Categorieën: Landbouw en Zorg · Milieu · natuurbeheer
getagged: farming for health, groen, groene zorg, guusnet, natuur, symposium, therapeutische tuin, tuinen, zorg, zorglandbouw
Op bezoek bij schoonmama spotte ik afgelopen week een oude Seasons van Feb 2009. Hoewel het blad naar mijn verwachting vol zou staan met decoratieve pompoenen en chique laarzen naast voordeuren van eigenhandige opgeknapte boerderijen in pittoresk landelijke omgeving, stonden er ook meerdere artikeltjes in die aan mijn werk relateren. Zoals een kleine reportage over een aantal biologische boeren (p34), de rubriek “Platteland” met een leuke anecdote over het ontstaan van het kaasje Le Petit Doruvael (p188), en de kennelijk vaste rubriek “Boerenbericht – Nieuws van boeren van nu die zich inzetten voor het behoud van het platteland” (p63). In die laatste rubriek is Gert-Jan Lagerweij uit Buurmalsen aan het woord.
Verkoop aan huis efficiënter
Gert-Jan en zijn vrouw Anita runnen een kippenboerderij met scharrelkippen. Moeilijk om te runnen, naast een gezin en een baan buitenshuis. Verkoop aan huis leek hen wel wat, maar:
De meeste mensen die op de boerderij komen houden wel van een praatje. Dat is heel gezellig, maar je kunt moeilijk een halfuur uittrekken om een doosje eieren te verkopen.
Lagerweij ging daarom opzoek naar een automaat om, gevuld met verse eieren, langs de weg te zetten voor rechtstreekse verkoop aan consumenten. De machine moest groot genoeg zijn om veel doosjes eieren te kunnen bevatten, anders zou het bijvullen van de machine hen alsnog te veel werk kosten en te weinig rendement opleveren.
Voorjaar 2008 startte een aspergeteler uit de buurt van Rotterdam (afgaande op Google zal dat Verhoeven uit Cromvoirt zijn) met de verkoop van asperges per automaat. Middels een type machine dat precies voldeed aan de wensen van Lagerweij. En zo stond kort daarna aan de Rijksstraatweg tussen Culemborg en Geldermalsen een mooie eier-automaat, met doosjes van 10 eieren voor 1 euro. Verkoop, nog geen jaar later: tweehonderd doosjes per dag doordeweeks en in het weekend nog meer. Tijd voor een tweede machine, aldus Lagerweij. (Hier leest u ongeveer hetzelfde verhaal na in de Gelderlander van 15 juli 2008, en in Wegener’s Weekkrant van 30 juli 2008.)
Automatisering
Sinds vorig jaar zijn er al vele boeren die een eigen automaat hebben aangeschaft. Vooral automaten voor eieren. Mogelijk komt dit ook door de marketing van Jaski, een bedrijf uit Barneveld, dat automaten aan de man brengt, en ook actief “eierautomaten en andere boerderijautomaten“ (met houten ombouw) verkoopt onder boeren? Mooi gat in de markt, zo blijkt. Voor de leverancier van automaten dan in elk geval. Omdat de machine een stuk kleiner is dan degene die door Lagerweij wordt gebruikt kost het bijvullen nog erg veel tijd.
Google vertelt me verder dat bijvoorbeeld op de Hoeve Mostert in het Limburgse Teuven (net buiten NL) men ook al sinds 2008 boter en streekproducten rechtstreeks uit een automaat kon kopen – naast verse melk voor in je zelf meegebrachte kannetje. Vooral voor gasten van de vakantieverblijven op het terrein van de hoeve, aan het artikeltje hier te lezen.
Kopen bij de boer
Hoewel ik het allemaal erg leuke voorbeelden vind, en ook zeker het nut er van inzie voor de consument (verser producten uit eigen omgeving), vraag ik me af: Wat is de motivatie van boeren om aan huis te verkopen? Ik dacht dat dit vooral de link met de consument was. Het toegankelijk maken van je bedrijf. Laten zien wat je doet om de mensen dagelijks van eten te voorzien. Als dat klopt, neem je daar dan niet een heel stuk van weg op het moment dat je al langs de weg een automaat neerzet, waar mensen niet eens van hun fiets hoeven stappen om een doosje eieren uit de muur te trekken?
Wanneer persoonlijk contact met de consument je teveel tijd kost, maar het bijvullen van de automaten ook nog een dagelijkse investering is of zelfs niet bij te houden, zoals in sommige voorbeelden genoemd, loont het dan niet gewoon meer om je producten in de winkel te (laten) verkopen, of op een andere manier meerwaarde toe te voegen en een hogere prijs te vragen?
De boerderijautomaat hangt voor mij net een beetje tussen dat idyllische platteland, waar langs de weg op tafeltjes met huisgemaakte jam ook nog een geldtrommeltje staat, en de grote supermarkt waar de consument alles kan kopen wat hij voor zijn dagelijks maaltje nodig heeft, zonder nog te weten waar het vandaan kwam en wie ervoor heeft gewerkt. Het heeft een beetje van de voordelen van beide… en een beetje van de nadelen. Ben benieuwd of dhet automaten-idee in de toekomst nog leuke innovaties tot gevolg heeft, waarbij wordt voortgeborduurd op die mogelijkheden en voordelen, voor producent en consument.
Categorieën: Landbouw / Platteland · Streekproducten · Voedsel
getagged: asperges, automaat, boerderij, consument, directe verkoop, eieren, guusnet